*
'zomerochtend'
...~*~
~*~...
De dag
is met een huivring
opgestaan.
Ik stond al
aan zijn open raam
te fluiten
naar vogels die mijn tuin doorvliegen
op hun eigen dus vrij
vaste baan
naar loslopende gedachten
die zoals gewoonlijk
nergens over gaan
naar zwarte kraaien die ik hoor
en zie door al mijn
ruiten.
Totdat
de duvel opstond
uit haar
verenbed.
Zij
had zich vast
een stevig uur
verslapen.
Haar
slaapmuts
had zij op een oor
gezet.
Zij
wrijft haar ogen uit
en slaat dan met een wrede grijze hennagrijns
mijn dromen snel in gruzelementen met
haar gare
rapen.
En ik
stap op mijn kousenvoeten
door het geestlijk riet
en roep haar
toe:
"Haast je
toch snel terug
naar diepe krochten
oude rakker!"
We zullen zien
wie 't eerst het eeuwige heelal
klieft en doorschiet
langs melkwegen en zwarte gaten
afscheid neemt van dodelijk
verdriet
...
Jij ...
ik ...
hiphop,
rouwdouwer ...
rappe repper ...
krenten~
kakker.
NU
was
het sterke zomerweer
niet meer
de baas
van zomerdagen.
NU
kon de lucht
de weelde van de felle zon
niet meer verdragen.
Een
kille wind
begon te waaien als nauw de zon
de dag had
ingekeken.
Een
wolkenpak
versmoorde snel die eerste glans
in Zuurpruims
deken.
Een
storm
met hagel leek
op komst
na dagen vol van tintelende
zonnelach,
de warmte was bij plotse regenslag
voor dagen weer
geweken.
De zomer
was TE rijp gegroeid
en liet z'n buit oneerlijk snel
verdelen.
NU
is het zonlicht niet meer mild en goed
en kan geen stootje
velen.
De wind
krijgt NU een goede kans
het stofgoud
op te jagen ...
En wolken
kunnen NU mijn sterke glans
niet meer verdragen.
Alreeds
dreigt ginds
een dwaze duivelsdonderkrop
mijn zon
met paarsgezwollen
kop,
DAN lach ik
ondanks alles weer
om al haar opgeblazen
wolkenkragen!
ACH,
dat ik als het sterke weer
van hete zomerdagen,
de weelde van een groot geluk,
een grote zon
kon dragen.
Maar
als EEN dag
de zomerzon mijn ziel heeft
uitgekeken,
dan komt al gauw
dat duivels wolkenpak
en spant ervoor
haar deken.
DAN
staat direct
haar stormwind klaar
en jaagt en vaagt met breed heidens misbaar
de mooiste glanzen
uit elkaar.
ZIJ
laat mij troostloos staren naar
't geluk dat is
bezweken.
~

~
