"When the saints go marchin' in gimme that oldtime

religion!"





Niet verre
van het kruis,
stonden eenige G dvruchtige vrouwen,
die Yesjoea uit hartgrondige liefde van Galilea gevolgt waren,
en in zijn leven hem van haare goederen
gedient hadden.

Onder deeze was Miryam haMagdaliet,
bekend, niet alleen by de H. Schrijvers, maar ook by de Joodsche Meesters,
en dus gebynaamd van haare geboorte-plaats, Magdala, dat eene hair-vlechster,
eene hoofd-vercierster betekent: die ook gissen,
datze de zuster van Lazarus was.

Hier stond ook Miryam,
de moeder van Ja'akov en Yoze, broeders van Yehoedah en Sjim'on:
als ook de moeder van Zavdai's kinderen, anders Sjlomiet, zuster van Yoseef, 's Heilands pligtvader.
Deeze, en andere meer, die Yehosjoea gevolgt hadden, verlaten hem niet aan het kruis,
maar blijven tot zijnen dood toe, om oor- en oog-getuigen
van het uiteinde des Heilands te zijn.

Even te vooren,
eer hy den geest gaf, beval hy Yochanan zijne moeder, waarschijnlijk om dat Yoseef,
haar man, overleden, en zy weduwe was. Waar uit volgt, dat Miryam, de moeder des Heeren,
ook by 't kruis, en onder deeze vrouwen
moet geweest zijn.

Wat smerten
zullen die G dvruchtige moeder
het hart doorsteken hebben, dat zy haaren Wonderzoon dus
gesmaad, gelasterd, gekruist ziet? Dit is het ziel-doorgrievend zwaard, dat haar volgens Sjim'on moest treffen. Maar hoe zal 't haar, en alle gelovige vrouwen, weder hebben opgebeurt, als zy die wonderen zagen, en zo voortreflijke getuigenis hoorden uit den mond
van den Heidenschen Hoofdman.

De gantsche menigte zelve,
die gekomen was om deeze kruis-straf te zien, word bedeest,
en keert met angst naar Yeroesjalayiem, slaande op haare borsten, gelijk bedroefde en bekommerde menschen plegen. Want onder alle treurgebaarden, die veel zijn, is het kloppen op de borst, byna
algemeen onder alle volkeren.

En geen wonder:
want dus treft men het harte, dat een oorspronk is van alle driften, misdaaden, boos- en
G dloos-heden: dus beschuldigt men zich openbaarlijk, en verfoeit men zijne daaden en gedachten,
die van ouds, voor al by de Jooden, geoordeelt wierden,
haaren zetel in 't hart te hebben.

Zo sloeg de boetvaardigen Tollenaar
op zijn borst, maar krachtiger nog op 't verbrijzelde hart, en riep vol geloof en vertrouwen:
"O G d! zy my zondaar genadig! Zij met my verzoend!"

Zo deeden namaals, in de eerste Christenheid,
de doop- en boetlingen.

Ook leert ons de natuur,
de hand te brengen, daar het ons smert.
Maar hoe smertlijk het deezen volke mag geweest zijn, zal het, immers in de meesten, geen droefheid
naar G d zijn geweest; want die werkt een onberouwlijke bekeering;
maar de droefheid der weerelt werkt den dood!


De schrik, de vrees,
de verdiende straf, zal hen angstvallig en hooploos hebben gemaakt,
en in mismoedige verbeeldingen van het toekomend verderf, dat zon, aarde, Tempel, rotsen, graven hem bedreigden, op de borst doen slaan,
en treurig wederkeren.

En wie zoud niet treuren, wie niet beven,
daar alles beeft, en davert, en scheurt, en d' aarde dreigt ieder oogenblijk
haare inwoonders levendig
in te zwelgen?
06 mei 2009 - bewerkt op 06 mei 2009 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 80 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende