Het
allermerkwaardigste van
die geestesgesteldheid van alweer bijna 2000 jaar geleden
is de omzetting van bepaalde Griekse idealen in joods-christelijke humanistische visies
tot op de mydidag van vandaag
in ons.
Men gaat uit
van 'n bepaalde vooronderstelling
& ziet dan vervolgens de hele natuur als het ware bij wijze van spreken & schrijven
doortrokken van dat Woord waardoor in principe alles ontstaat
en op den duur
weer vergaat?
De mens
dient te leven
overeenkomstig het geordende verloop
{'g d'} der natuur & zich te schikken in 't haast onvermijdelijke
& verder zo onverschillig mogelijk
te blijven voor begeerte,
hebzucht en
hartstocht!
We
streven als plant,
mens/dier naar behoeftenbevrediging,
gelukzaligheid en onverstoorbaarheid maar verkeren maar al te vaak in een staat van volkomen chaos, dwangmatigheid, kortzichtige
illusies/geweld.
De joodse
'grote & kleine' profeten nu
leggen wet en psalmen zodanig uit dat ons onrecht aan de kaak wordt gesteld
& via het idee van "G d" & 'zijn geest', 'de wijsheid' & 'de genade'
of 'voorzienigheid' kan uitlopen in 't leven
van de Mensenzoon oftewel
de Verlosser, de 'gezalfde
g ds' die als Yehosjoea
haNatsri uitlegt en
'voorleeft' hoe wij
kunnen ontsnappen
aan die 'duivelse' wetmatigheden
van waanzin &
hoogmoed
...
De gehoorzaamheid aan de wet
& inzicht in wijsheid blijkt zo te worden omgezet in visies van vrede & recht!
Sjapo brengt zijn begrip van 't euangelium, de vernieuwing van het verbond tussen mens en 'g d'
op een eigen manier [eigentijds] onder woorden in z'n z.g. 'zendbrieven'
tussen de jaren 50 & 60, zo'n 10/20 jaar na de veronderstelde kruisiging e.d.
die tussen 70 en 90 wordt beschreven in minstens
vier anonieme evangelies.
Hij ontwerpt
'n soort van compromis
tussen Griekse wijsheid & joodse tradities ten aanzien van wij doen?
In zijn eigen woorden legt hij uit hoe hij het oude en het nieuwe verbond met elkaar in verband brengt!
Ons leven moet vrucht dragen voor 'g d': toen we ons nog alleen maar lieten leiden door onze eigen wil,
werd ons bestaan vooral beheerst door zondige hartstochten die wetten in ons opriepen
& droeg 't alles alleen maar vrucht voor de dood & de vergetelheid
in het Grote
Niets.
We waren vroeger
aan de wet geketend,
maar nu kunnen we worden bevrijd:
we zijn nu dood voor de wet zodat we niet meer al die oude
ordes v/d wet dienen, maar de nieuwe orde
v/d Geest!
Moeten we dan vaststellen
dat de wet hetzelfde is als de zonde?
Absoluut niet!
Maar ik ben me
pas door de wet bewust geworden van de zonde:
ik zou nu eenmaal niet weten wat begeerte was als de wet niet zei:
"Zet je zinnen niet op wat van een ander is!"
Maar de zonde
[illusies/waanzin/doelloosheid/verdwazing e.d.] heeft v/h gebod gebruik gemaakt
om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet
is de zonde krachteloos.
Eens
leefde ik
zonder de wet,
maar door de komst van het gebod
kwam de zonde tot leven en daardoor stierf ik. Want dat gebod, dat tot leven had moeten leiden,
bleek nu juist tot mijn geestelijke dood te voeren? Zonden hebben gebruik gemaakt van de geboden:
zij hebben mij misleid en mij door al die geboden & verboden gevangen gezet
& gedood!
Kortom:
de wet zelf is heilig & de geboden zijn heilig, rechtvaardig & go{e}d?!
Is het dan het goede
dat mij heeft
gedood?
Natuurlijk niet,
het is de zonde [ongehoorzaamheid & lust]!
Door 't gebod te misbruiken laat 'satan de grote leugenaar,
heer van de zondige onderwereld' zien hoe verderfelijk hij wel niet is!
We weten ondertussen dat de wet 't werk van de Geest is,
maar door de oude natuur ['t muchomachozoogdier i/d
'homobilesbonobomens'] ben ik uitgeleverd
aan zonde en
domheid?
Wat ik deed
doorzag ik eerst aanvankelijk nog helemaal niet,
want ik deed eigenlijk helemaal niet wat ik wilde, ik deed juist in mijn onwetendheid wat ik haatte
& dacht te weten!
Wanneer
mijn daden in strijd zijn met mijn wil,
dan pas erken ik dat de wet go{e}d is: want dan ben ik het niet die handelt,
maar de zonde & onwetendheid die in mij heerst
als afgod & drogbeeld.
Immers,
ik besef dat in mij,
in mijn eigen oude natuur, het goede niet zomaar automatisch aanwezig is
[wat bij de andere planten en dieren vaak/meestal
nog wel zo was?]!
Ik
WIL
't goede wel,
maar 't go{e}d doen kan ik [nog] niet.
Wat ik verlang te doen, 't go{e}d, dat laat ik na;
en wat ik eigenlijk wilde vermijden, 't kwaad,
dat doe ik.
Dus
wanneer mijn
daden in strijd zijn
met mijn wil, dan ben ik daar niet zelf de oorzaak van,
maar alleen maar de onwetenheid van de zonde die in mij heerst.
Ik ontdek in mijzelf de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt,
ook al wil ik het
'go{e}d doen'.
Innerlijk
stem ik vol vreugde in
met de wet van g d, maar in alles wat ik doe dien ik die
andere, 'tegenover~
gestelde', wet.
Die
voert strijd
tegen de wet
waarmee ik met mijn verstand instem
en maakt van mij zodoende een gevangene van de wet van de zonde
& krampachtigheid,
die in mij leefde.
Wie,
in g dsnaam,
zal mij ooit, een zo ongelukkig versplinterd & meestal veel te halfslachtig mens,
dan nog kunnen redden uit dit uitzichtloze bestaan
dat beheerst werd door zinloze dood &
domme doel~
loosheid?
"G d"
zij gedankt,
door "Yehosjoea haNatsri aka haMasjiach",
die Nazarener die onze Verlosser werd, onze Heer!
Met m'n verstand onderw{i}erp ik mij aan de Wet van G d,
terwijl ik ooit door m'n oude natuur mij vaak alleen maar kon onderwerpen
aan de wetten v/d zonde uit machteloosheid,
verdwazing en
onwetendheid
...
