In
TeNaCH
wordt hem geen enkele bevrediging
in zijn scheppingswerk toegeschreven,
en dat is feitelijk het begin van een consistente reeks
van dergelijke afwezigheden.
Bij talloze gelegenheden tussen de schepping van de wereld en
de val van Yeroesjalajiem had de Heer G*D
genoegen of plezier kunnen beleven
en/of uiten?
Ondanks de halsstarrigheid
van Israel zijn er toch veel overwinningen
geweest, gelegenheden genoeg!
Maar een paar uitzonderingen daargelaten,
heeft hij er geen gebruik van
gemaakt?!
In de vorige
myDi-verhaaltjes
hebben we opzettelijk geprobeerd om die uitzonderingen
te benadrukken?
Er is misschien wel geen directe verwijzing naar genoegen of plezier
in de reactie van de Heer op David in 2 SAM 7,
het orakel van Nathan
nadat David had gedanst voor de tabernakel en
spontaan zijn wens te kennen had gegeven om een tempel voor de Heer
te bouwen, maar men kan iets van een
ongebruikelijke persoonlijke warmte horen in de
allereerste verwijzing van de Heer naar
zichzelf als
vader?
Eerder al
merkt Exodus 33 op,
met bepaald niet overdreven verbazing,
dat de Heer en Moshe met elkaar praten zoals twee vrienden
zouden kunnen doen; en krachtens die vriendschap
laat de Heer zijn woede jegens Israel varen
en gaat hij in een tent
in Israels kamp
wonen?
NOG
eerder
wordt van Josef gezegd dat hij de 'onwrikbare liefde' of de
'vriendelijkheid en trouw' van G*D geniet,
zonder dat hij ooit bestempeld wordt
als het middel voor de schepping van een
verbondsvolk ...
Maar dit zijn slechts
heel summiere mogelijkheden?
G*D's karakter wordt in het algemeen,
pagina na pagina, verhaal na verhaal en boek na boek,
gekenmerkt door heerszuchtige ongevoeligheid,
regelmatig onderbroken door
woede!
Is dit
karakter onmenselijk
of slechts 'niet-menselijk'?
Of 'onmenselijk want niet-menselijk'?
Het Israelitische genie dat voor het eerst dacht aan een god
die persoonlijk zou zijn maar aseksueel,
kan niet simpelweg op dit idee gestoten zijn
of het samengesteld hebben uit
oudere ideeen?
ZO'N
soort idee is het gewoon niet.
Heel veel ideeen over de Heer G*D zijn inderdaad een lappendeken
van oudere ideeen,
en onze myDi-verhaaltjes hebben die mengelmoes nooit verborgen,
maar DIT idee
is anders?!
Iets dergelijks
was nog niet
eerder bekend in de beschaving waar het ontstond!
Een genie dat zo origineel is dat hij dit idee krijgt,
kan ook origineel genoeg zijn geweest om beschermingsmaatregelen te
treffen - dat wil zeggen te beginnen met een literaire traditie waarin
een persoonlijke, aseksuele G*D zodanig geportretteerd wordt
dat hij niet, geleidelijk, geseksualiseerd
kan worden .......
De tekst
van TeNaCH
van GENESIS tot en met 2 Koningen
gaat tamelijk lichtzinnig om met antropomorfie:
we horen constant over de arm, hand, vinger en het gezicht van G*D,
en andere fysieke verwijzingen; en de engelen van G*D,
niet teonderscheiden haast van G*D zelf,
hebben mannelijke lichamen inclusief
{zo kun je afleiden}
genitalien?
Maar misschien
omdat de menselijke taal,
zelfs in het dagelijks leven,
de delen en functies van het menselijk lichaam eindeloos
metaforisch gebruikt,
schijnen deze antropomorfismen de goddelijkheid van G*D geenszins
aan te tasten?
Het oordeel
van de schrijver
dat hij zich deze vrijheid kon permitteren,
wordt bevestigd dor lezers die,
zonder dat het ze verteld was,
eeuwenlang al wisten dat de arm die G*D uitstrekte tegen Egypte
geen gewone mensenarm
was?!
Maar
met misschien
even goede reden kan dezelfde schrijver hebben geconcludeerd
dat bepaalde lichamelijke gevoelens
wel degelijk inbreuk zouden kunnen maken op
de perfectie van
zijn macht!?
Het duidelijkste
voorbeeld hiervan
is seksueel verlangen,
dat we terecht eerder een passie dan een actie noemen,
een woord dat verwant is met
passief.
Plezier is geen daad.
Lust is iets waar je al of niet aan toegeeft,
niet echt iets wat je doet.
En iemand die overgeleverd is aan lust,
geeft een zekere mate van macht prijs aan wat of wie
de lust heeft
opgewekt?
Hetzelfde geldt,
zij het minder duidelijk,
voor de andere tedere gevoelens.
Verdriet is het puin van verlangen:
de geliefde persoon of het geliefde ding is weg,
maar het verlangen naar hem, haar of het blijft?
Ware vreugde is altijd een verrassing en in zoverre een schending
van iemands privacy en
autonomie.
Compassie is,
zoals het woord al zegt,
een variant van passie ...
We voelen mee met het voorwerp van onze compassie;
en voor zover de meelevende of medelijdende gevoelens
onvrijwillig zijn,
maken zij een inbreuk op de perfectie
van iemands
zelfbeheersing .......
De mate
van lichamelijke interactie en
wederzijdse afhankelijkheid hierbij is zo groot
dat het bij wijze van spreken gevaarlijk is om dit gevoel toe te schrijven
aan een wezen wiens macht en wiens
aseksualiteit men wil
benadrukken?!
De wijdlopige,
diepgewortelde lichamelijkheid in de zin
'de Heer was vervuld van mede-lijden' gaat in de seksualiserende en verlichamelijkende potentie
veel verder dan de zin 'de Heer strekte
zijn arm uit' .............
Misschien is dit
de reden waarom de schrijvers van de Pentateuch en de
vroege profeten bereid waren om eindeloze variaties te maken
op de laatste zin maar de eerste nooit
benaderden?
Over de ontedere gevoelens
die deze zelfde schrijvers vrijuit toeschreven aan G*D,
kunnen we misschien zeggen dat
dat weliswaar emoties, maar geen passies zijn?
In GEN 5:6-7 lezen we:
- (...) En het berouwde de Heer dat Hij de mens op aarde gemaakt had,
en het bedroefde hem in zijn hart .............
De Heer zei:
"IK zal de mensen die ik geschapen heb,
van de aardbodem uitroeien,
de mensen tezamen met de dieren,
het kruipend gedierte en het gevogelte van de hemel,
want ik betreur het dat ik hen
gemaakt heb!" -
EERST
water en
daarna
HET
VUUR?
De
vraag
is maar:
"Welk
vuur?"
{En:
"Welk
water?"}























