den Discipelen wel straks na haar verkeerde boodschap, hebben andere tijding en bericht gebragt,
Zouden alle wel uit eenen mond gesproken, getuigt, en valsche tijdingen verkondigt hebben?
Zoudenze de bedroefde Discipelen door verdichtselen troosten, en opbeuren?
Zouden ze die onbeschaamdheid durven hebben van te zeggen;
wy hebben eenen Engel gezien en gesproken? Wy hebben JC met onze eigen' oogen gezien?
Indien hy nog in 't graf, of van iemant weggenomen ware geweest?
Dat Yehosjoea niet opgestaan, maar van dien of dien uit het graf geligt ware?
En wie toch zoude hem weggenomen hebben? De vrouwen?
Maar die vlieden vol schriks uit het graf,
en
ZIEN
JC voor haar oogen levendig, en haar te gemoet komen.
De Discipelen? maar die treuren en weenen in die gedachten, dat JC weggenomen zy.
Doch thans komen hen de vrouwen eenpaarig boodschappen:
WY HEBBEN JC GEZIEN!
Waarom dit verkondigt, indien zy hem niet gezien hadden?
Wisten zy niet, dat de Discipelen het graf konden gaan bezien, gelijk zy doen zullen,
om de waarheid te weten?
Maar de vrouwen OMHELZEN den verscheenen Heiland, GRIJPEN zijne voeten, en AANBIDDEN hem.
Konden zy die eerbewijzen hem toebrengen, zonder hem te ZIEN, en te KENNEN?
Waren zy "G dvruchtig"?
Gelijk zy waren, en zouden zy iemant anders aanbidden, dan "G d",
die nu zijne gemeinte verkregen had door zijn vergoten bloed? Die nu krachtig bleek de "ZOONE G DS", en "G d van volkomene zaligheid" te zijn? Zy zagen, zy omhelsden zijne voeten,
konden zy daar in de versche lidtekenen der spijker wonden zien,
en twijfelen, of het JC ware?
Maar hoe zy daar aan minder twijfelen konnen,
hoe zy met meer verzekerdheid den Apostelen konnen boodschappen, dat zy den Heere gezien hebben.
Ook doen hier de vrouwen in dit eeren en aanbidden van JC niets,
dan het geen de Profeeten voorzegt en bevolen hadden.
Als de Masjiach alle einden der aarden heeft uitgelokt, om zich tot hem te WENDEN,
en BEHOUDEN TE WORDEN, OM DAT HY "G D" IS, EN NIEMANT MEER, zweert hy by zich zelven,
DAT HEM ALLE KNIJE GEBOGEN WORDE.
Waar op Paulus doelt, als hy van JC zegt, dat hy eenen naam verkregen heeft boven allen naam,
op dat in den naame van YESJOEA, zich buigen zoude ALLE KNIJE.
Zo worden ook JONGELINGEN en MAAGDEN aangenoopt, om den HEERE te loven,
als die zijn heilrijk zoud aanvaarden, en uitbreiden over de gantsche aarde, en zich alle Koningen, Vorsten, en weereld-magten onderwerpen.
Gelijk JC nu zal doen, nu hy opgestaan, en ALLE MAGT HEM GEGEVEN IS, IN HEMEL EN OP AARDE.
En wien
konden de vrouwen anders,
en beter eeren en aanbidden, dan hem,
voor wien de H.Engelen zelfs het AANGEZICHT bedekken,
en met diep ontzach uitroepen;
HEILIG! HEILIG! IS DE HEERE
DER HEIRSCHAAREN?
Dat
alles klinkt
ietwat 'ouderwets' in
onze moderner oren, wat
niet wegneemt dat 'de kern',
't "Centrale Punt" van al die mydibijbelverhaaltjes
wel op hetzelfde blijft neerkomen door al die tientallen eeuwen, plaatsen & culturen heen:
de mens heeft die 'g d geschapen' van wie hij beweert dat die hem heeft 'doen ontstaan' van het begin af aan: 't spiegelbeeld van dat
'beeld' & die gelijkenis [waarom 't gaat]
vol verwondering, ontdekking,
benoeming en
aanvaarding
...
