Blijkbaar hadden mensen van 2000 jaar geleden de behoefte om 'n onverklaarbare 'onbekende g d' iet-wat nader te benoemen door hem [haar/het] dichterbij te halen om er beter mee te kunnen [be]leven ... In al die 'woorden' [daden] duidt Yehosjoea zichzelf dan aan als 'de Zoon': het kind van een ongehuwde moeder noemt zichzelf {!} daarom 'kind van g d'! Hij geeft te kennen dat G d de Vader & hij elkaar op 'n unieke, intiemste wijze [hebben leren] kennen en dat alleen hij als 'de Zoon van G d' die kennis van G d de Vader aan anderen kan meedelen. In ieder geval volgt hij hier de traditie van zijn tijd die hij op eigen wijze heel persoonlijk invult, ervaart en mee wil delen aan zijn tijd- & plaatsgenoten ook al kost hem dat zijn leven. Psalmen, spreuken en profeten bieden praktische wijsheid die in duizenden jaren is vergaard. Ze zijn zo een leidraad in ons leven, verdiepen het inzicht en bevatten wijze lessen over recht, rechtvaar-digheid en eerlijkheid. Ze vormen het [vaak nog] ongeoefende verstand en geven de jeugd kennis en bezonnenheid. Laat wie wijs is goed naar deze spreuken luisteren en [zo] nog wijzer worden. Laat wie verstandig is meer en meer de vaardigheid verwerven [om] deze spreuken en diepzinnigheden te be-grijpen, deze woorden en scherpzinnigheden van de wijzen [beter] te doorgronden. Het begin van alle kennis is ontzag voor [yhwh] de eeuwig komende aanwezige [wordende in ons]; een dwaas veracht de wijsheid en weigert elk onderricht. Mijn zoon, luister naar de lessen van je vader, verwaarloos nu niet meer wat je moeder je leert. Hun lessen zijn 'n sierlijke krans om jouw hoofd [zie ook: doornenkroon]: ze zijn een ketting om je hals. Mijn zoon, als zondaars je proberen in te palmen, geef er niet aan toe!
Luister niet naar hen als ze jou ook willen overhalen om met hen mee te gaan, als ze zeggen: 'We willen bloed vergieten, we gaan onschuldigen de dood in jagen, zonder reden, we verslinden ze met huid en haar, zoals het dodenrijk de levenden verslindt, het graf de doden opslokt. Hoeveel kost-baarheden zullen we wel niet vinden: we vullen onze huizen met een rijke buit [zie: de topmanagers!]! Kom , sluit je [ook] bij ons aan, we zullen alles ['eerlijk'] delen!"
Mijn zoon, ga niet met hen op pad, mijd de weg die zij gaan, want ze haasten zich om kwaad te doen en zijn op bloed belust. Het net wordt tevergeefs gespannen als de vogels het bespieden. Alleen maar hun eigen bloed zal vloeien, hun eigen leven is hun prooi. Dat is het lot van allen die uit zijn op roof, hun pad voert naar de dood! Zo roept wijsheid in de straten, over de pleinen klinkt haar stem, zij laat zich horen bij de poorten, te midden van alle rumoer roept ze uit: "Hoe lang nog, onnozele mensen, hechten jullie aan je onvolwassenheid, willen jullie, spotters, blijven spotten, haten jullie, dwazen, kennis? Luister, neem mijn berispingen ter harte ~ dan stort ik mijn geest over je uit, dan laat ik je delen in mijn wijsheid. Maar toen ik je riep, wees je me af, toen ik je mijn hand bood, nam je die niet aan. Al mijn goede raad hab je in de wind geslagen, elke berisping heb je gene-geerd. Daarom lach ik om je ongeluk, schater ik het uit om je ellende, wanneer ellende op je afkomt als een tsunami, ongeluk als een onweer over je losbarst, leed en nood je treffen. Dan zul je me roepen, maar ik antwoord niet, je zult me zoeken, maar vindt me niet. Want je was afkerig van mijn kennis en toonde geen ontzag voor de eeuwig komende aanwezige die ook wilde worden [tot vervolmaking] in jou!
Jij nam mijn raad niet aan en verachtte mijn berispingen. Daarom pluk je nu dan ook de wrange vruchten van jouw plannen, je daden liggen je zwaar op de maag. Want wie onnozel is, gaat aan zijn halsstarrig-heid ten onder, en zelfgenoegzaamheid brengt de dwazen om. Maar wie naar mij luistert, zal veilig zijn, hij hoeft geen angst te hebben voor het kwaad!"
Toen hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen hem: "Rabbi, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!" Yehosjoea zei tegen hem: "Die grote gebouwen zie je nu ziet ~ wees er maar zeker van dat geen enkele steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken!" Toen hij op de Olijberg was gaan zitten, recht tegenover de tempel, en Sjimon Petros aka Kefas, Ya'akov, Yochanan & Andreas alleen met hem waren, stelde Petros hem de vraag: "Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we dan herkennen dat het zover is?" Yesjoea antwoordde: "Pas op dat niemand jullie misleidt. Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zich voor mij zullen uitgeven, en ze zullen veel mensen misleiden. Als jullie berichten horen over oorlog en oorlogsdreiging, wees dan niet verontrust. Die dingen moeten blijkbaar nu eenmaal gebeuren, maar daarmee is het einde nog niet gekomen. Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk zal de strijd aanbinden met het andere, overal zullen er dan ook weer aardbevingen en hongersnoden zijn: dat is nog maat het begin van de weeen. Wat jullie betreft: pas goed op! Jullie zullen voor het gerecht worden gesleept en in synagogen worden gegeseld, en jullie zullen voor allerlei gouverneurs en koningen moeten verschijnen om voor hen van mij te getuigen. Want eerst moet aan alle volken mijn goede nieuws worden verkondigd. Wanneer jullie worden weggevoerd om te worden uitgeleverd, maak je dan vooraf geen zorgen over wat je allemaal zult gaan zeggen; zeg maar gewoon wat je op dat tijdstip wordt ingegeven, want jullie zijn het niet die dan spreken, maar het is de heilige Geest!"