...
enz.
...
Diezelfde dag
gingen twee van de leerlingen
op weg naar een dorp dat Emmaus heet
en zestig stadie van Yeroesjalayiem verwijderd ligt.
Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen ...
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Yehosjoea zelf naar hen toe en liep met hen mee,
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden. Hij vroeg hun:
"Waar lopen jullie toch allemaal over te praten?"
Daarop bleven ze somber gestemd even stilstaan. Een van hen, die Kleopas heette,
antwoordde hem en zei:
"Bent u dan de enige vreemdeling in Yeroesjalayiem die nog niet weet
wat daar deze dagen gebeurd is?"
Yesjoea vroeg hun:
"Wat dan?"
Ze antwoordden:
"Wat er gebeurd is met Yesjoea haNatsri [aka haMasjiach],
'n machtig profeet in woord en daad in de ogen van G d en van het hele volk!
Onze hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en [door de Romeinen]
laten kruisigen! We leefden in de hope [& dope] dat
HIJ
degene was die Yisraeel zou bevrijden,
maar inmiddels is het alweer de derde dag sinds dit alles allemaal is gebeurd. Bovendien
hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg
naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er
engelen aan hen waren verschenen. Die engelen zeiden dat hij
LEEFT!
'n Paar
van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals die vrouwen hadden gezegd,
maar Yesjoe zagen ze niet!"
Toen zei hij tegen hen:
"Hebben jullie dan zo weinig verstand & zijn jullie echt zo traag van begrip dat je niet in alles gelooft wat de profeten hebben gezegd?
MOEST
de masjiach al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie
binnen te gaan?"
Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mosjeh en de Profeten. Zo keuvelend naderden ze het dorp waarheen ze op weg waren & Yehosjoea [want hij was '!] deed
ALSOF
hij verder wilde reizen. Maar die twee drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden:
"Blijf bij ons, want het is bijna al avond en de dag loopt ten einde!"
HIJ
ging met hen mee het dorp in en bleef bij hen en toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. Pas
NU
werden hun ogen geopend &
herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun blik.
Daarop zeiden ze tegen elkaar:
"Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?"
Ze stonden op en gingen meteen weer terug naar Yeroesjalayiem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, die tegen hen zeiden:
"De
HEER
is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Sjim'on Petros/Kefas verschenen!"
De twee leerlingen vertelden nu ook wat er onderweg
met hen gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt
door het breken van
het brood
.....
Hy volgt op 't spoor
& is zo haast niet by de volijverige, & stramme reizigers,
of hy spreekt ze vriendelijk aan, en zo, dat ze hunnen gedachten zelve hem openbaren zullen!
"WAT REDENEN,
[zegt hy],
ZIJN DIT, DIE GY AL WANDELENDE ONDER MALKANDEREN VERHANDELT?"
Dat ze redeneerden, twist-vraagen verhandelden, & spitsvondig over JC & zijne kruisgevallen spraken, is nu getoond. Daar in gaan zy voort, en zo het schijnt, zonder omzien, door overmaat van ijver: en hier uit vind den Heiland stoffe, om die vraag te doen?
WAT REDENEN ZIJN DIT, DIE GY VERHANDELT,
en met zo veel ernst, en klems betwist?
ZO
lokt hy een volmondig antwoord uit, en zal horen, hoe 't by hen legge: niet, dat hem zulks onbekend ware, maar dat hy 't uit hunnen eigen mond zoeke te weten, om hunne wanbeseffen krachtiger te
[kunnen] wederspreken. Want hier uit te besluiten, gelijk zommigen willen, dat men in den hemel,
en eindeloozen heil-staat, zo veel heerlijkheid bezitten zal, dat men aller rampen, die wy hier doorworstelen,
niet meer gedenken zal heeft weinig gronds. Wat schijn,
dat JC nu alle die kruis-smerten vergeten hebbe
die hy voor drie dagen leed, om dat hy vraagt,
WAAROM ZIJT,
EN ZIET GY DROEVIG?
Als of hy
NU
in deeze
verheerlijking zo wel niet uit de harten der
EMMAUS-GANGEREN,
als in de dagen zijner vernedering, in de harten der
FARIZEEN, SCHRIFTGELEERDEN,
en anderen kon zien.
DIES
vraagt hy dit, even als het voor-gaande, om uit hunnen
EIGEN
mond d'ontsteltenisse hunner harten te horen, & te verdrijven. De droefheid
zo weet ieder, is de bittere hartstogt, die uit het onaangenaam genot van onheil en ramp voortspruit,
en ons aarde, en hemel te eng maakt: zo dat men niets denkt, niets hoort, dan bekommerde, smertende, ziel-prangende voorwerpen, die 't aangezicht bezwalken,
en de droefheid ten oogen uit doen stralen:
gelijk de vreugd in tegendeel het gezicht ontnevelt, het gelaat vervrolijkt,
en de zoete
vergenoegdheid in alle licchaam-
leden door 't gantsche aangezicht verspreid.
DUS
maakt de droeve naargeestigheid de menschen loom,
en doet de vrolijkheid wijken. De droefheid verblind; de vreugd verheldert: de droefheid
verslind lust en levensgeesten; de vrolijkheid voed krachten, en gezondheid, en om met den schrander-sten der Koningen, en menschen te spreken:
EEN VROLIJK HART IS EEN GEDURIGE MAALTIJD!
Tijd dus om
wat te eten en te drinken
voordat ik flauwval!
De planten
wat water geven
en voortgaan met
de holenberen
...
