De
gelijkenis van
de heer met
zijn slaven
laat ook nog een vraag achter.
Wat nu,
als de verhoudingen omgekeerd zijn
en de heer aan 'n slaaf honderd sjekels kwijtscheldt
en deze nog een bedrag van tienduizenden dinars
van een ander tegoed heeft?
Het maakt dan dus ook niet meer zoveel uit
of je het over schellingen en talenten hebt of dollars & euros,
guldens & marken, ponden & franken of wat dan ook:
die situaties zijn van alle tijden en plaatsen!
Dit soort van situaties
vinden we ook al herhaaldelijk in het oude testament, bijvoorbeeld in de onschuld-psalmen:
de onschuld wordt uitgesproken tegenover g d en gezet tegenover de misdaden van de vijanden ten opzichte van de bidder:
daar komt de roep om wraak en vergelding vandaan.
~@~
Dit roept nieuwe vragen op.
Is het in het nieuwe testament zo, dat, onder de indruk van de onvoorstelbare go{e}dheid van g d in Yehosjoea haNatsri aka haMasjiach, de schuld tussen mensen daaraan gerelateerd en daardoor gerelativeerd wordt?
Om het in de geest van die bewuste gelijkenis te kwantificeren:
is het per definitie onmogelijk dat de schuld van 'n mens aan mij hoger uitvalt dan mijn schuld aan g d, zodat mijn dankbaarheid voor de ontvangen go{e}dheid van g d toereikend is om ook mijn medemens,
die bij mij in het krijt staat, erin te laten delen?
En doet dat recht aan de gevoelens van haat en wraak die normaliter bij mensen leven na intense ervaringen van onrecht?
Botst de theologie hier met de antropologie?
Vraagt die nieuwtestamentische ethiek hier meer van ons dan wij [ooit] kunnen opbrengen?
Hebben we ook op dit punt het tegoed van het oude testament nodig en verdraagt zich dat met wat we als de kern van het nieuwe testament kunnen zien?
~@~
Laat ik maar eerlijk zijn:
veel verder dan het stellen van deze vragen kom ik niet.
Maar is het altijd een ondeugd om vragen open te laten of kan het
[JUIST]
in de theologie ook een deugd zijn?
Het is in elk geval een theologische ondeugd om de uitkomst van het laatste oordeel te willen vaststellen!
~@~
Hoe is g ds vergelding te verbinden met zijn barmhartigheid?
Dat de theoloog dit niet weet, is ernstig, maar moeten we ook niet overdrijven.
De theoloog is g d niet.
Als g d het niet zou weten, dan zou het er misschien wel ernstiger uitzien?
Gelovige mensen, en ook gelovige theologen leven van vertrouwen:
"zo zal hij alles maken dat g'u verwond'ren moet".
Deze houding is geen vrome
escape meer, maar komt op vanuit het besef dat het leven naar bijbels besef veel belangrijker is dan de leer!
De bijbel gaat uit van het primaat van het leven.
Het echte leven {YOH zou zeggen 'het eeuwige leven'} is veel belangrijker dan de juiste formule!
Dat ik gekend ben, is oneindig belangrijker dan dat ik zelf ken volgens I Korinte 13:12.
"ki chaet mabitim anachnoe bemarah oevchidot weaz panim el-panim kaet yodea ani ketsato weaz kaasjer nodaeti eda af-ani" ~
NU
kijken we
nog als in
een wazige spiegel, maar
straks staan we
oog in
oog.
NU is
mijn kennen nog beperkt, maar
straks zal ik volledig
kennen, zoals ik
zelf gekend
ben.





