verdrietig {& blij tegelijk}

Iets
groters dan
de som van alles
is moeilijk voor te stellen,
net als de wil van dat geheel
en onze dank om daarvan deel uit te maken
& 't niet onder woorden kunnen brengen
van wat we bedoelen
te zeggen?

Aan
't andere
uiterste van zo'n
menselijke vaststelling vormen zich
de conclusies die betrachten te doen
wat eigenlijk onmogelijk is maar
wat we niet kunnen laten omdat
't ten diepste onze aard is
ondanks alles!



De vischvangst,
zeggen wy, en 't is waar,
betekent de prediking van 't H.Euangelium, dat meer-
maalen, en niet onaartig by een vischnet vergeleken word,
om alle die t'zamen-geschakelde waarheden,
die vaster zijn aan een gehecht, dan alle
de schakelingen en t'zamenknoopingen
van eenig net.

Yehosjoea zelfs,
die zijne Kruisgezanten riep,
als zy in den visscherij bezig waren,
vergeestelijkt dat voor-beeld, en belooft hen visschers van menschen te maken,
overeenstemmig met 't Profeetisch woord:
DEN NACHT
begrijpen ze, als den tijd der schaduwen voor de komste van JC.


Ook komt ons die oude huishoudinge meermaalen voor, als een nacht, en tijd van duisternisse.

Ziet eene plaats voor alle, by den Profeet, als hy zegt van 't Joodsch volk:
HET VOLK, DAT IN DUISTERNISSE WANDELT, ZAL EEN GROOT LICHT ZIEN, DIE WONEN IN EEN LAND VAN DE SCHADUWE DES DOODS, OVER DE ZELVEN ZAL EEN LICHT SCHIJNEN.


In deezen nacht en duisternisse vangen zy niets, om dat de menschen de duisternisse liever hadden, als het licht. Zo vatten het de meeste Oudvaders, en eenigen hunner zeggen:
DE NACHT IS DE TIJD VAN MOSJEH EN DE PROFEETEN.


Maar zoud in dien gantschen tijd, de leere der verzoening krachteloos zijn geweest?

Niemant zich bekeert hebben?

Geene zielen gewonnen zijn?

Zoud men niet veel welgevoeglijker door den NACHT verstaan konnen, den NACHT DER ZONDE EN ON-WETENHEID, en dat zonder 's Heilands zegen, en G dlijke tegenwoordigheid alles vergeefs zy?

Gelijk PAULOS, hoewel onder een ander zinbeeld, zegt:
HET IS TE VERGEEFSCH, DAT PAULOS PLANT, EN APOLLOS NAT MAAKT, 'G D' MOET DEN WASCHDOM GEVEN.


G d laat de zijnen wel voor eenen tijd vergeefschen arbeid doen, op dat zijne kracht en hulpe te zicht-baarder doorstrale; maar verdubbeld ook zijnen zegen, op dat men erkennen moge, dat het zijn werk zy.

Hebben de Discipelen zonder YESJOEA, dengantschen nacht vergeefs gevist, ny YESJOE verschijnt, zullen zy overvloediger vangen.

HY STAAT DAN 'S MORGENS AAN DEN OVER, MAAR DE DISCIPELEN WISTEN NIET, DAT HET YEHOSJOEA WARE

Dit schrijven zommigen weder daar aan toe, dat HUNNE OOGEN WEDERHOUDEN wierden, datze hem niet kenden, gelijk den EMMAUS-GANGEREN wedervaren was.

Doch men kan natuurlijke redenen hier van geven, als men den TIJD,
en TUSSCHEN-WIJDTE aanmerkt.

Het was IN DEN MORGENSTOND,
als de duisternisse nog eenigszins heerschte, en de zonne niet was opgegaan,
want dit zegt het grondwoord PROOIA,
de schemering, de vroege morgen,
als het nog duister is.

Gelijk wy zagen,
hoe de H.Euangelij-schrijvers
omtrent 's Heilands opstandinge spraken.
En die tijds om-standigheid brengt ons van zelfs, tot de opstandinge van JC en verdient haare opmerking, dat JC op dien zelven tijd,
hier aan de zee verschijnt, als hy
voorheen uit het graf
verrezen was.

En hoe konde hy,
die 't waarchtig licht is, bekwaamer verschijntijd gebruiken,
dan in 't aanbreken des dageraads.

Maar belette de schemering en duisternisse
JC onderscheidendlijk te kennen, de tusschen-wijdte verhinderde dat niet minder:
want die was van omtrent twee honderd kubiten of ellen,
zo verre als 't scheepken van land was.

En of wel dit by helderen dage niet verre,
en voor verziende oogen niet tot belet zoude zijn:
was het echter in de schemerduisternisse verre genoeg, om niet te konnen onderscheiden:
inzonderheid voor duistere oogen, als die van PETROS en anderen;
ook maakte de schielijke en onverwachte verschijning JC
nog onkenbaarder, zo dat zy hem wel zien,
doch niet wisten wien zy zagen.

Waar toe de nacht, arbeid, en verdrietig visschen, iets zal hebben toegebragt.

In den vroegen morgen staat JC op den oever, en zy kennen hem niet.

Veele zinspeelingen
hebben de oude Kerkleeraars gemaakt,
dat JC die voormaals voor zijn kruislijden op deeze zee wandelde, en tot zijne Discipelen kwam,
nu op den oever blijve, nu hy niet in de baaren en woeste zee van dit sterflijk leven,
met zijne Discipelen was, maar in eenen vasten staat,
en op den oever van het onsterflijk leven.

Anderen vinden daar in,
dat JC door de zee van rampen
en verdrukkingen nu gekomen was
in heerlijkheid, en
een hoog
vertrek.

Eenigen
zoeken daar
in de kennistrappen,
langs welke wy JC
regt leren
kennen.

Eerst
staat hy
als verre, en
word zo aanstonds van ons niet bekent,
en zal in dit leven. zo lang wy hier dobberen op de zee der ondermaansche dingen,
noit regt gekent worden: maar op den oever, in den hemel,
daar zullen wy hem zien, en kennen, zo als hy is,
en van eeuwigheid van hem
gekent zijn.



HET
GAAT DUS
NIET ZOZEER OVER
TOEN EN DAAR OF
HEM EN HEN,

MAAR OVER
ONS!
engel
25 sep 2009 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 80 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende