Al
wat we
hebben is 'n
kwestie van symboliek: dubbele
bodems, vergezichten, aanvoelen & inzien?
Alle voelen,
denken, doen & laten
komt tot ons via filters,
gordijnen, spiegels, tekens &
hun betekenissen!!
Wie zonder vooroordeel
het vangen van JC inziet,
en acht geeft op zijn tai geduld niet alleen,
maar inzonderheid op zijn' volvaardige overgaave tot den dood,
zal erkennen moeten, dat hy zich daar in gedragen hebben, overeenkomende G ds raad,
en de gantsche Schrift, die ons 't zoenmiddel openbaarde.
Aanschouwt de krijgsbende,
die komt als tegen eenen struikrover en moordenaar,
gewapend met zwaarden en stokken,
maar vreeslijker nog met gezach van Joodsche en Romeinsche Overheid.
Waar
gaf JC oit
reden om zo behandelt te worden;
daar hy zich den gantschen tijd van zijn heilampt,
als Opperleeraar in den Tempel had vertoont:
was dat eene misdaad,
of moest de Masjiach niet de groote Leeraar der gerechtigheid,
en grooter dan Mosjeh zijn?
Immers hadden de profeeten hem dus voorspelt.
Hadde hy oit iets tegen Mosjeh,
en de profeeten, en de waarheid geleert,
dat moest in den Tempel bewezen, en niet gewapenderhand, niet met krijgsknechten beweert worden: men overtuigt niemand met geweld, maar met klem van waarheid.
Doch zo vervullen die woedende menschen,
het geen zo veel eeuwen te vooren door David,
in den mond van den Masjiach was gelegt, als hy zegt:
waarom woeden de heidenen, en bedenken de volkeren ijdelheid?
De Koningen der aarde, de Romeinsche Landvoogd, en de Vorsten, de Joodsche Raad,
stellen zich op,
en beraadslagen t' zamen tegen den Heere, en zijnen Gezalfden.
Zo klaagt hy: ik ben besloten,
en kan niet uitkomen. De banden en boeien zouden hem beknellen,
en vast houden.
Waartoe leidt het woeden van de volken, het rumoer van de naties?
Tot niets!
De koningen van de aarde
komen in verzet, de wereldmachten spannen samen
tegen de eeuwig aanwezige komende & z'n gezalfde.
Eeuwig aanwezige komende g d, mijn redder, overdag schreeuw ik het uit,
's nachts zit ik stil voor je neer.
Laat mijn gebed jou bereiken,
luister naar mijn klagen, ik word door rampen bezocht,
mijn leven nadert 't dodenrijk. Ik hoor bij wie afgedaald zijn in 't graf,
ik ben als 'n man aan 't eind van z'n krachten, 'n naamloze dode:
als 'n gesneuvelde in 'n massagraf aan wie jij niet langer denkt,
losgerukt uit jouw hand
.......
Jij hebt mij onder in de kuil gelegd,
in het duister van de diepte, jouw toorn drukt zwaar op mij, je golven slaan over mij heen.
Bekenden heb je van mij vervreemd, afgrijzen roep ik bij hen op, ik ben ingesloten &
zie geen uitweg meer.
Mijn ogen zijn dof van ellende,
ik roep jou aan, eeuwig komende aanwezige, elke dag, & strek mijn handen naar jou uit.
Doe je aan doden wonderen & staan schimmen op om jou te loven?
Komt jouw liefde
in het graf ter sprake of jouw trouw
in de afgrond?
Weet men
in de duisternis van jouw wonderen,
of van jouw weldaden in 't land
der vergetelheid?
Daarom
roep ik
om jouw hulp,
om jouw komende eeuwige aanwezigheid:
elke morgen nader ik jou
met mijn
gebed.
Waarom,
aanwezige eeuwig komende,
verstoot jij mij en verberg jij
voor mij jouw
gelaat?
Ik ben verzwakt,
van jongs af aan in doodsgevaar,
verbijsterd moet ik
jouw woede
verduren!
De gloed
van jouw toorn overweldigt mij,
jouw verschrikkingen maken mij sprakeloos,
als water omringen ze mij, dag aan dag,
van alle kanten
sluiten ze
mij in!
Mijn
beste vrienden
heb jij van mij vervreemd,
mijn enige metgezel is
de duisternis
...