Ik heb zelfs geloofd
dat de woorden uit psalm 22:2,
die Mark [15:34] & Matai [27:46] vermelden
als de laatste woorden van Yesjoe,
'n onvriendelijke interpretatie was van Yesjoea's laatste uitroep
door de omstanders, die Mark toen bij vergissing
in de mond van Yehosjoea zelf legde.
Maar deze aanname is onwaarschijnlijk.
Er bestond al vroeg 'n tendens binnen 't christendom
om de woorden van psalm 22 in verband te brengen met JC's dood.
In Mark [15:34; vgl. Matai 27:46] wordt vers 2 de schreeuw vanaf 't kruis;
Luke [23:35] & Mark [15:29; vgl. Matai 27:39] zinspelen op vers 8;
't werpen van het lot over JC's kleren [Luke 23:34; Mark 15:24; Matai 27:35; Yoh 19:23-24]
is gebaseerd op psalm 22:19.
Het is mogelijk
dat de invloed van deze psalm
op de euangelies steeds groter is geworden.
Dat kan zelfs voor Luke 't geval zijn, reden waarom we niet zeker kunnen weten
in hoeverre de woorden van psalm 22 de bron van Luke al hadden beinvloed.
Psalm 22:8 had in de Griekse vorm invloed op Luke 23:35.
In psalm 22:8 staat:
'IEDEREEN DIE MIJ ZIET LACHT & SPOT MET MIJ ... EN SCHUDT ZIJN HOOFD!'
Alleen 't hoofdschudden is opgetekend in Mark 15:29 & Matai 27:39,
terwijl we in Luke 23:35 lezen
'HET VOLK STOND TOE TE KIJKEN & DE LEIDERS LACHTEN HEM UIT!'
't Schijnbaar duidelijke verband
tussen psalm 22:8 & Luke 23:35
is in werkelijkheid onduidelijk:
in de psalm zijn de toekijkenden de bespotters,
terwijl de toekijkende mensen bij Luke niets te maken hebben met de bespottingen;
die toeschouwers in Luke 23:47 [Mark 14:39; Matai 27:54]
& 23:48-49 [Mark 15:40; Matai 27:55]
sympathiseren met Yesjoe.
ELI
ELI LAMAH
AZAVTANI? RACHOK MISJOEATI
DIVREI SJA'AGATI! ELOHAI EKRA YOMAM WELO TA'ANEH
WELAYLAH WELO-
DOEMIYAH LI!
Mijn G d, mijn G d, waarom heb jij mij verlaten?
JIJ BLIJFT VER WEG EN REDT MIJ NIET, OOK AL SCHREEUW IK HET UIT!
'MIJN G D!' roep ik overdag
en jij antwoordt niet,
's nachts,
en ik vind geen rust!
Jij bent de heilige,
die op Yisraeels lofzangen troont?
Op jou hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd & jij verloste hen, tot jou geroepen & zij ontkwamen,
op jou vertrouwd & zij werden niet beschaamd!
Maar ik ben 'n worm & geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd:
'WEND JE TOT DE EEUWIGE!
LAAT HIJ JE VERLOSSEN, LAAT HIJ JE BEVRIJDEN,
HIJ HOUDT TOCH ZOVEEL
VAN JOU?'
Jij hebt mij
uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd, bij mijn geboorte
vingen jouw handen mij op, van de moederschoot af aan ben jij mijn G d!
Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij en er is niemand die helpt.
Een troep stieren staat om mij heen, buffels van Basjan omsingelen mij,
roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil
naar mij open!
Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen, mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.
Mijn kracht is droog als 'n potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, jij legt mij neer in het stof
van de dood! Honden staan om mij heen, 'n woeste bende sluit mij in, zij hebben mijn handen
en voeten doorboord! Ik kan al mijn beenderen tellen! Zij kijken vol leedvermaak toe,
verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot
om mijn mantel!
Eeuwige,
houd je niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp!
Bevrijd mijn ziel van het zwaard, mijn leven uit de greep van die honden.
Red mij uit de muil van de leeuw, bescherm mij
tegen de horens van de wilde stier!
JIJ GEEFT MIJ ANTWOORD?
Ik zal jouw naam bekendmaken,
jou loven in de kring van mijn volk.
Loof hem, allen die de eeuwige vrezen, breng hem eer, kinderen van Ya'akov,
weest beducht voor hem,
volk van Yisraeel!
HIJ VERACHT DE ZWAKKE NIET,
VERAFSCHUWT NIET WIE WORDT VERNEDERD,
HIJ WENDT ZIJN BLIK NIET VAN HEM AF,
MAAR HOORT ZIJN HULPGEROEP!
Van jou komt mijn lofzang in de kring van het volk,
mijn geloften los ik in bij wie jou vrezen.
DE VERNEDERDEN
ZULLEN ETEN & VERZADIGD WORDEN! ZIJ DIE HEM ZOEKEN,
BRENGEN LOF AAN DE EEUWIGE:
VOOR ALTIJD MOGEN JULLIE
LEVEN!
Overal
tot aan
de einden der aarde,
zal men de eeuwige gedenken en zich tot hem wenden.
Voor jou zullen zich buigen alle stammen & volken!
Wie op aarde in overvloed leven, zullen aanzitten
& zich voor hem
buigen.
OOK ZULLEN VOOR HEM KNIELEN
DIE IN 'T GRAF ZIJN NEERGEDAALD,
DIE HUN LEVEN NIET KONDEN BEHOUDEN:
EEN NIEUW GESLACHT ZAL HEM DIENEN
EN AAN DE KINDEREN VERTELLEN
VAN DE HEER!
AAN
HET VOLK
DAT NOG GEBOREN
MOET WORDEN ZAL HET
VAN GERECHTIGHEID
VERHALEN: HIJ IS
EEN G D VAN
DADEN
...
