'T is vaderen eigen,
ik beken 't, hunnen kinderen te begunstigen,
en is 't mooglijk, te beveiligen: maar zoude G d zijnen Zoon wangunstig,
& ongenegen zijn, om dat hy in 't lijden hem
niet zichtbaarlijk verlost?
G d heeft tijd,
& plaats, & wijze in zijne almagtige hand,
& wil van den mensch geen wet
gestelt worden.
Indien gy, dwaazen,
G ds raad & wille wist, gy zoud andere besluiten maken, & uit dit lijden,
dat u zo ergert, den Zoone G ds
erkennen.
Want dus bewijst hy zijne gehoorzaamheid;
dus verheerlijkt hy den Vader;
dus verlost hy zijn volk?
Kan hy grooter liefde betonen,
dan zijn leven te stellen voor zijne schaapen?
Hy heeft gezegt, ik ben G ds Zoon, en 't is de waarheid.
Hadde hy anders gezegt, hy zoud de Zoone G ds niet zijn,
maar eem logenaar.
Misdoet hy, als hy de waarheid spreekt?
Kan iemant anders dan G ds Zoon doen,
het geen Yehosjoea gedaan heeft?
Spreken, gelijk hy sprak?
Hy sprak als uit den hemel; en zoude hy G ds Zoon niet zijn?
Hy deed wonderen, door eigene kracht,
die noit een mensch gedaan had, noch konde doen,
en zoude hy G ds Zoon niet zijn?
Maar 't is merkwaardig, dat deeze schimp-
en laster-taal der Joodsche Overheden, byna, van woord tot woord,
veele eeuwen te vooren, door den Zanger Yisraels voorspeld, geboekt zy,
want die voert den lijdenden Heiland dus in {Psalm 22}:
allen, die my zien, bespotten my, zy steken de lippen uit, zy schudden den kop, zeggende:
hy heeft 't op den Heere gewentelt, [dat is
], op G d vertrouwt,
dat hy hem nu uit helpe, dat hy hem redde,
dewijl hy lust aan hem heeft!
Moesten die woorden, die Yisrael zo dikwijls in den Tempel door zangrige Leviten,
had gehoort de voorhoven doorgalmen, het gantsch volk niet overtuigt hebben,
dat Yesjoea de Masjiach ware?
ELI ELI LAMAH AZAVTANI? RACHOK MIYESJOEATI DIVREI SJA'AGATI:
ELOHAI EKRA YOMAM WELO TA'ANEH WELAYLAH WELO-DOEMIYAH LI!
Mijn G d, mijn g d,
waarom heb je mij verlaten?
JIJ
blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit:
"Mijn G d!" roep ik overdag, en jij antwoordt niet,
's nachts, en ik vind geen rust!
JIJ bent de Heilige, die op Yisraeels lozangen troont. Op jou hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en jij verloste hen ['zo gaat het verhaal'] tot jou geroepen en zij ontkwamen,
op jou vertouwd en zij werden niet beschaamd.
Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd:
'Wend je tot de Eeuwige! Laat hij je verlossen, laat hij je bevrijden, hij houdt toch [zoveel!] van je?'JIJ hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertouwd,
bij mijn geboorte vingen jouw handen mij op, van de moederschoot af ben jij mijn G d!
Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij en er is niemand die helpt!
Een troep stieren staat om mij heen, buffels van Basjan omsingelen mij, roofzuchtige,
brullende leeuwen sperren hun muil baar mij open.
Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf.
Mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
jij legt mij neer in het stof van de dood.
Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in, zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
Ik kan al mijn beenderen tellen. Zij kijken vol leedvermaak toe, verdelen mijn kleren onder elkaar en werpen het lot om mijn mantel.
EEUWIGE,
houd je niet ver van mij, mijn sterkte, snel mij te hulp. Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden. Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
JIJ
geeft mij antwoord!
Ik zal jouw naam bekendmaken, jou loven in de kring van mijn volk. Loof hem, allen die de Eeuwige vrezen, breng hem eer, kinderen van Ya'akov, wees beducht voor hem, volk van Yisraeel!
Hij veracht de zwakke niet, verafschuwt niet wie wordt vernederd, hij wendt zijn blik niet van hem af,
maar hoort zijn hulpgeroep. Van jou komt mijn lofzang in de kring van mijn volk,
mijn geloften los ik in bij wie jou vrezen.
De vernederden zullen eten en worden verzadigd: zij die hem zoeken, brengen lof aan de eeuwige ~
voor altijd mogen jullie leven! Overal, tot aan de einden der aarde, zal men de eeuwige gedenken en zich tot hem wenden. Voor jou zullen zich buigen alle stammen en volken.
Want het koningschap is aan de eeuwige, hij heerst over de volken.
Wie op aarde in overvloed leven, zullen aanzitten en zich voor hem buigen.
Ook zullen voor hem knielen wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden.
Een nieuw geslacht zal hem dienen en aan de kinderen vertellen van de heer;
aan het volk dat nog geboren moet worden zal het van zijn gerechtigheid verhalen:
hij is een g d van daden
