'In
een gummiboot
komen ze op Flakkee aan,
de boot wordt afgestooten - de koffer aan wal gesleept.
De boot komt toevallig terug op de plaats van vertrek. De Duitschers
weten dus niet dat er vreemde gasten zijn gekomen. [...] Het is een kleine zender en ontvanger.
Met de hand moet je de dynamo draaien om stroom te verwekken voor den zender. Het maakt lawaai maar het gaat.
De zender is klein en heeft maar weinig reikwijdte. Dat hindert niet. In Tilburg [dan al bevrijd - TR] stijgt een vliegtuig op
als er te seinen valt. Ze roepen elkaar op, er zijn codewoorden: Hallo Annie
en als Annie er is vraagt ze:
Hallo Pauline ...
[...]
's Avonds haalt de boer pakken stroo weg,
niemand kan de boerderij, die op een heuveltje ligt in het water, bereiken zonder natte voeten te krijgen. Ze kunnen niet zoo gauw verrast worden, want het geluid van iemand die door het water waadt, zal hen altijd waarschuwen. Er komt weleens onverwacht storing, dan seint men het door, dat er gewacht mie worden. Het vliegtuig boven het natte gebied cirkelt
tot er weer geseind zal worden.
Ik deed maar net,
of ik permissie had te blijven, verteld de man, die den zender heeft bediend. Het was gevaarlijk, ik had een vrouw en 5 [tik-fout, moet zijn 4 - TR] kinderen. Die speelden weleens thuis: Hallo Pauline en hallo Annie ... dan werden ze gewaarschuwd, dàt spel mochten ze niet spelen, dàt was héél ondeugend.'
TR:
Dàt waren dus mijn broertjes,
een van 8 en een tweeling van 5. De laatste twee
waren eerder samen weggevaren op een platte koeschuit tot grote ontsteltenis van mijn moeder. 'Naar Engeland!' Ik wist van niks, drie maanden oud. Het zal absoluut de reden zijn voor mijn interesse in die oorlog: ik was er maar wist van niks! Ook niet van die codenaam van mijn vader, Pauline. Dàt begreep ik pas veel later, toen ik de bovenstaande herinneringen las, een paar jaar nadat mijn jongste dochter was geboren, die we Pauline noemden omdat we dat zo'n mooie naam vonden.
Ik heb altijd nog de neiging om mezelf Annie te noemen
als ik haar aan de telefoon krijg.
Vanaf de zomer van '43
was het verzet dus al wel redelijk goed gebundeld, ook al verschilden de leiders onderling vaak fanatiek van opvattingen en methoden.
In het hele land opereerden steeds meer spionagegroepen, onder de meest intrigerende namen, zoals de Dienst Wim, de Groep Harry, Fiat Libertas & ook de groep Albrecht, waarvoor mijn vader opereerde. Albrecht was pas maart '43 opgericht, door een gedropte agent uit Engeland. De kerngroep was klein maar coördineerde bijna 1000 medewerkers, meestal jongemannen tussen de 20 en de 30, die vooral militaire gegevens over de Duitschers verzamelden om door te geven aan de geallieerden. Zoals mijn vader, alias 'Pauline', die dan doorseinde, maar die ook per koerier werden aangeleverd. Veel van die medewerkers zouden een maand na de bevrijding ook in Scheve-ningen bij het Bureau Nationale Veiligheid komen te werken om aldus allerlei collaborateurs en oorlogsmisdadigers op te sporen. De plannen daarvoor werden al in de oorlog ontwikkeld, met name door prominente politici die gegijzeld zaten in Sint-Michielsgestel, waar sowieso toen al werd nagedacht hoe 'herrijzend Nederland' er 'straks' zou moeten uitzien.
Mijn vader dacht daar in die ijzige januarikou ook aan.
En zeer zeker aan dat 'straks'! Èn of dat niet ietwat sneller
gerealiseerd zou kunnen worden.