Taalgebruik hangt aan elkaar van gedeelde symboliek: gevoelig-, eerlijk-, helder-, geheimzinnigheid ...
WIE KAN ZICH GENOEG VERWONDEREN
OVER DE MENSCHLIEVENDHEID, EN GERECHTIGHEID, EN WAARHEID
VAN ONZEN GROOTEN HOOGENPRIESTER & KONING YEHOSJOEA ['G D REDT'],
DAT HY ZICH NU NIET ALLEEN MAAR VOOR DE ZIJNEN HEBBE OVERGEGEVEN IN DEN DOOD,
MAAR OOK VOLZEKERE BLIJKEN VERGUNT VAN ZIJN OPSTANDING,
OP DATZE MOGTEN VERZEKERD ZIJN VAN HUNNE
[REDDENDE] RECHTVAARDIGMAKING?
DAT HY OOK DIE HEILGEHEIMEN VERBERGT
VOOR WAANWIJZE FARIZEEN, TROTZE SCHRIFTGELEERDEN EN
MAGTIGE WEERELDVORSTEN, EN DIE OPENBAART AAN VROUWEN, EN VERACHTE MENSCHEN,
OP DAT HEM ALLEEN DE ROEM ZOUDE GEGEVEN WORDEN VAN DE BEKEERING,
EN ZALIGHEID DER UITVERKOORLINGEN!
Dus zien wy nog onze roepinge;
datze niet bestaat uit wijzen, grootmagtigen, aanzienlijken,
maar het verachte, het onwijze, het oneedele verkiest "G d", om zijne hemelwijsheid en alvermogen opentlijk te vertonen: zo werden de vrouwen APOSTELINNEN DER APOSTELEN; en daar men die nergens ziet om de vreeze voor de JOODEN {"Judeeers": bewoners van 'Judea/Yehoedah'}, zijn deeze vroeg op, en aan 't graf, en zien de 'hemel-gezanten', en horen de blijmaare van 's Heilands opstanding,
en zien den Heere zelven.
Was haar ijver vermengd met groote wanbezeffen?
Zy werden daar over niet hard bejegent, maar minlijk onderricht, datze
DEN LEVENDEN NIET ZOEKEN MOETEN ONDER DE DOODEN.
Meinen zy JC te zalven?
Zy kregen een ander en troostrijker bevel,
om de bedroefde Discipelen te gaan opbeuren door een blijde
tijdinge, dat zekerlijk de Heere was opgestaan. Hebben zy een wijl moeten worstelen met kommerlijke gedachten, wie den steen zoud afwentelen? Of de Heere niet weggenomen ware! Uit deezen allen worden
zy buiten verwachting gered: gelijk 'g d' de zijnen noit verlaat, maar alles vergunt, boven het geen zy denken en bidden konnen.
Werpt hy ons nu,
en dan in een smeltkroes
van elenden?
'T is,
op dat wy geloutert,
en doorloutert zouden werden,
en beproefd daar uit
voortkomen!
Zo medewerkt
alles ten goede den geenen, die g d lief hebben.
Zo bemint Yehosjoea de zijnen tot den einde toe: en daar hy voor hen gestorven was, die bemint,
die versterkt, die vertroost hy nog na zijn dood, en vertoont zich levendig aan hun,
op dat hunne vreugd zoude
vervuld worden.
Gelijk hy,
en zijn 'hemelgezant,
daarom tot de vrouwen zeide:
VREEST NIET!