math xxvi 36-46
TOEN
ging Yesjoe
met hen in een plaatze,
genaamt Gethzemane, ende zeide tot de Discipelenm,
zit hier neder, tot dat ik henen ga, en aldaar zal gebeden hebben. En met hem nemende P.,
en de twee zonen van Zebedeus, begon hy droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide hy tot hen, mijne ziele is geheel bedroeft tot der dood toe: blijft hier en waakt met my. En een weinig voort gegaen zijnde, viel hy op zijn aangezigt, biddende en zeggende, mijn Vader, indien het mogelijk is. laat deze Drinkbeker van my voorby gaan: dog niet gelijk ik wil, maar gelijk gy [wilt]. En hy kwam tot de Discipelen,
en vondze slapende, en zeide tot P., en kond hy dan niet een uure met my waken? Waakt en bid, op dat gy niet in verzoekinge komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Wederom ten tweden-maal henen gaande bad hy, zeggende, mijn Vader, indien deze deinkbeker van my niet voorby kan gaan, ten zy dat ik hem drinke, uwen wille geschiede.
En komende [by hen] vond hy ze wederom slapende: want hunne oogen waren bezwaart.
En hen latende, ging hy wederom henen, en bad ten derden-maal, zeggende dezelve woorden.
Toen kwam hy tot zijne Discipelen, en zeide tot hen. slaapt [nu] voort, en rust: zie, de uure is naby gekomen, en de Zone des menschen werd overgelevert in de handen der zondaren. Staat op,
laat ons gaan, zie, hy is na by,
die my verraad.
Als G d
den mensch geschapen,
en uit een ruwen aardklomp zo volkonstig lichaam gevormt had,
blies hy daar in niet alleen der adem des levens, gelijk in alle dieren,
waar door dat konstgestel zich beweegde: maar vercierde dat ook met eene redelijk en onsterflijke ziel,
waar in hy zijn Godlijk beeld, en Godlijk deugden van heiligheid en gerechtigheid levendig indrukte,
en stelde dat hoogbegenadig schepsel in den lsuthof van Eden, om G d zijnen Schepper
te verheerlijken, en door een zalig genot zijner gunst en gemeinschap volvrolijk
te pijzen, gelijk hy alleen te prijzen is
in eeuwigheid.
There
was speech
in their dumdness,
language in their very gesture.
Meaning may be transferred by devices
that have nothing to do either with the spoken language or with its written counterpart,
and this basic proposition few will be so hardy as to deny.
A logical corollary is that language as we know it did not necessarily have to become the great conveyor
that it is. Granted a different historical development, it is conceivable that the human race might have reserved its oral passages for purposes of eating and breathing only and developed an entirely
different machinery for the transfer
of meaning.
That
this might
have been so
is proved by the truly vast number
of auxiliary meaning conveyors that the human race has actually devised
and employs side by side with the spoken and written language.
Our justification for discussing them here
lies partly in the fact that they are
auxiliaries to language, partly
in our partiality for the broader definition of language
as that which serves to convey meaning, partly in the fact
that a historical discussion of language
would be incomplete
without them.