In YOËL 1:7-12 gaat 't over alles wat vernietigd is: de druivenoogst, de tarwe & de gerst, de granaatappel, dadel & appel e.d. zodat 'r zelfs niets meer is 'om aan g d te offeren' in de Tempel! In 't laatste gedeelte van hoofdstuk 1 staat ook dat er voor 't vee niets meer te eten is ~ echt alles is opgegeten door de sprinkhanen.
't Begin van hoofdstuk 2 gaat over 'de dag v/d Heer': net als in 1:15 is (nog) niet helemaal duidelijk wat de dag v/d Heer nu eigenlijk precies te maken heeft met de sprinkhanenplaag. Vallen ze samen op niet? In vers 2 gaat 't duidelijk weer over sprinkhanen. Tot vers 11 wordt de sprink-hanenplaag prachtig beschreven als 'n aanval van 'n goedgeoefend leger: de sprinkhanen denderen voort & klinken als ratelende strijdwagens.
Ze beklimmen de muren & dringen de huizen binnen: zon & maan zijn verduisterd!
In 2:12-17 koppelt de profeet 'n oproep aan de plaag: de mensen moeten terugkeren naar 'de Heer' ~ iedereen moet zich reinigen, & hij legt uit wie hij met iedereen bedoelt: zelfs de vrouwen met kinderen aan de borst & de bruid & bruidegom in hun slaapkamer. Vanaf vers 18 horen we dat 't allemaal 'weer goedkomt'.
Is dìt nu geschiedenis? 't Kàn niet missen dat de schrijver van deze profetie 'n sprinkhanenplaag zelf meegemaakt heeft. Die totale vernietiging, waar je als mens niets tegen kan doen, brengt hem als vanzelf bij "G d" & bij de vraag wat er nu moet gebeuren.
't Gaat dus niet om 'n grootse veldslag of 'n beroemde koning, maar wel degelijk om geschiedenis.
Geschiedenis die zich helaas maar al te vaak herhaalt.
