't hijgend hert der jacht ontkomen ...

De wedergave des bloedloons.

Hy geeft twee schijnblijken van berouw,
het een door de daad, het ander coor bekentenisse van schuld,
waar in allen, die zich aan uiterlijkheden vergapen zouden konnen, en moeten,
genoegen scheppen en zich echter bedriegen.

Hy keert tot den bloedraad,
of immers tot eenigen van dien;
die zich schijnen Tempelwaards begeven te hebben,
terwijl anderen Yehosjoea naar Pilatus leidden; gelijk wy aanstonds zullen bevinden,
dat hy de zilverlingen in den Tempel werpt.

'T is geen waarachtig berouw, zegt een vermaard Schrijver,
als men niet weder geeft, het geen onrechtvaardig verkregen is,
en beweert zulks met voorbeelden van Zaccheus en anderen, en dien zet-regel: {Luk 19:8}
de zonde word niet vergeven; 't en zy 't gestolen werde wedergeven.

Dit mag by den mensch, maar kan by G d niet voldoen.
G d eischt niet alleen 't wedergeven van 't geld, maar 't veranderen van 't hart.

De schatten der ongerechtigheid hebben dit eigen, dat men die niet kan aanschouwen,
of zy doen een gedurig verwijt van de gepleegde schelmstukken in 't verkrijgen, en zijn onwraakbare getuigen van de linkernijen, looze streeken, bedriegerijen, ontvremdingen, dieverijen, en ongeoorloofde middelen, die geldgierigen gebruiken in 't roven, stelen, schrapen, rijk worden.

Is 't wonder, dat zich Judas van die getuigen wil ontdoen, die hem zo vreeslijk benauwen, en zijn verraad zo schrijklijk voor oogen stellen. Vervloekte geldzucht, waar brengt gy den mensch niet toe!

Gy leert hem duizend godloosheden, om zich te verrijken, en als hy de begeerde schatten bezit, laten die hem rust, noch vrede, maar branden op zijn onverzadelijk hart.

Judas, die zo naar den bloedraad gesnakt had, heeft daar geen nu of gebruik, maar duldelooze smert,
en 't eeuwig verderf van. Zo waarachtig is 't zeggen van Paul [1 Tim 6:9], dat die rijk willen worden,
in verzoeking, en in den strik, en in veele dwaaze schadelijk begeerlijkheden vallen, die de menschen doen verzinken in verderf en ondergang.

De Verrader stelt den loon zijner verraderije weder in handen van de Overpriesters en Ouderlingen,
van welken hy dien ontfangen had: maar als die weigeren de penningen weder te nemen, om niet te schijnen het verdrag met Judas te breken, werpt hy die in den Tempel, daar in nu de Paaschvierders by een, en met offerdiensten bezig waren.

Dus word gantsch het Joodsch volk ooggetuige van 't G dloos verdrag der Priesteren, en Oudsten met Judas. Dus zien de feestvierders den Tempelvloer bezait met zilverlingen, die den zelven rooder maken, en meer besmetten, dan het bloed der offerdieren.

Zweepte JC de geldwisselaars en koophandelaars uit de Tempel {Yoh 2:14-16!}, hoe zullen deeze bloed-koopers, en G dvergetene zielhandelaars, uit den Tempel gedreven worden, als G ds ijver ontbranden, en 't bloed van zijnen Zoon wreken zal?

Je kunt dus
verschillende lagen ontdekken
in al die OT & NOT~mydibijbelverhaaltjes:
onder al die sensationele opsieringen, populistische dramatiseringen,
bloederige illustraties & tragedies, ligt de wijsheid van eeuwen er verborgen
als de goudstukken van de schat in de akker, de parel in de vissenbek,
het zilver van de ziel en het hijgen van het hertenhart
'der jacht ontkomen'!

engel
blozen
geschokt
cool!
25 nov 2008 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 80 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende