Red mij,
G d, het water
staat aan mijn lippen,
ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten,
ik ben in diep water geraakt, de stroom
sleurt mij mee.
Uitgeput ben ik van het roepen,
mijn keel is schor geschreeuwd,
mijn ogen zijn verzwakt van het uitzien
naar mijn G d.
Talrijker
dan de haren op mijn hoofd
zijn zij die mij haten zonder reden,
met velen zijn mijn belagers, mijn vijanden die mij bedriegen:
teruggeven moet ik
wat ik niet heb
geroofd.
G d,
jij kent mijn lichtzinnig leven,
mijn schuld is jou niet ontgaan.
Laat ik niet beschamen wie naar jou uitzien, Heer {YHWH}, G d van de hemelse machten,
laat wie jou zoekt niet om mij te schande staan,
G d van Israel!
Om jou
moet ik smaad verduren,
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
De hartstocht voor jouw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie jou smaadt,
is op mij neergekomen.
Ik huilde tranen toen ik vastte,
maar wat ik oogstte was hoon,
ik hulde mij in een boetekleed, maar verachting werd mijn deel!
In de stadspoort wordt over mij gepraat,
en de liedjes van drinkers
spotten met mij.
En nu,
Heer Yahweh,
richt ik mijn gebed tot jou, laat dit een uur zijn van mededogen.
Groot is jouw ontferming, G d, antwoord mij, toon jouw trouw en red mij.
Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink, laat mij ontkomen aan wie mij haten,
haal mij uit dit diepe water.
Laat de stroom mij niet meesleuren, het slijk mij niet verzwelgen,
de afgrond zijn muil niet
boven mij sluiten.
Antwoord mij, Vader,
jij bent genadig en goed, keer je tot mij, zie mij in erbarmen aan.
Verberg je gelaat niet voor jouw dienaar, antwoord mij snel,
want de angst benauwt mij!
Wees mij nabij
en bevrijd mij, verlos mij
van mijn vijanden.
Jij kent
mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte,
al mijn belagers staan voor je.
Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op mededogen - vergeefs;
op troost - die ik
niet vond.
Nee,
ze mengden gif
door mijn eten en lesten mijn dorst met azijn.
Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden.
Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen
van alle kracht.
Stort over hen
jouw toorn uit, laat hen aan jouw woede niet ontkomen.
Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner.
Want zij vervolgen wie jij hebt geslagen, en wegen het leed
van wie door jou is verwond.
Voeg dit alles toe
aan hun schuld, sluit hen uit van jouw genade.
schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.
Ik ben verzwakt, ik ben verwond, maar jouw hulp, o G d,
zal mij beschermen.
De naam van G d
wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang prijzen.
Dat behaagt de heer meer dan offerdieren, dan stieren
met hun horens en hoeven.
De nederigen
zien het en verheugen zich, wie G d zoeken, hun hart zal opleven.
Want de heer hoort de armen, zijn gevangen volk
verwerpt hij niet!
Hemel en aarde
moeten hem loven, de zeeen, met alles wat daarin leeft.
Want G d zal Tsion redden en de steden van Yehoedah herbouwen.
Daar zal worden geleefd en geerfd, het volk dat hem dient, zal het land bezitten,
wie zijn naam liefheeft,
mag er wonen.
DAT
is 't hemelse rijk g ds op aarde:
tot aan de uiteinden van de aardkloot!Al dat verwijst door hen, naar ieder van ons?!
Slaap zacht, droom zoet &
tell us all about it
tomorrow
...


