Je
moet al
dat soort van
mydibijbelverhaaltjes dus niet allemaal
letterlijk nemen & uitleggen,
maar zien als leervertellingen doorverteld en opgeschreven
met bepaalde
bedoelingen.
Dit
echter was
iets ongemeens, dat
JC na zijn opstanding mede AANZAT,
of AANLAG, gelijk de JOODEN, en andere volkeren op eetbeddekens aten,
daar hy geene SPIJZE van nooden had,
en onsterflijk was.
Maar dus toont hy waarlijk te leven,
en wil ons leren, gelijk zijn H.Apostel, dat men zijn noodig voedsel
MET BIDDEN MOET HEILIGEN, EN MET DANKZEGGINGE TOT ZICH NEMEN.
Want hy neemt het BROOD, en ZEGENT HET, en GEEFT het hen.
Dus handelt hy als HUISVADER, en als LEERAAR,
wien het eigen was het brood,
dat plat gebakken was,
te breken, en
te zegenen.
Gelijk de Joodsche tafelwetten zeggen,
dat, daar twee of meer by een zijn, en aanleggen, welker een geleerd,
en d' anderen ongeleerd zy, de geleerde den zegen over de spijze spreke:
met dit onderscheid, dat, als hy de DERDE is, dan zeggen moet:
LAAT ONS DEN ZEGEN SPREKEN.
Doch wie zal zeggen,
of JC zich aan den gemeenen zegen,
in zo ongemeen voorval, zal verbonden hebben:
anders vermogt de zegenaar het brood niet te breken,
eer de aanleggers eenstemmig hadden
AMEN
gezegt: gelijk zy ook niets vermogten te nuttigen, voor en al eer de zegenspreker,
die 't brood brak, iets genuttigd had.
Waar uit wy niet onwaarschijnlijk zouden mogen gissen,
dat JC ook iets zal gegeten hebben, hoewel de maaltijd, door zijn onverhoedsch wegkomen,
wierd afgebroken, en zommigen daar uit besluiten,
dat hy niets at.
Want eer hy
uit hun gezicht weg ware,
GAF hy 't BROOD zijnen reisgezellen,
en hunne OOGEN worden GEOPENT,
die dus lang wederhouden,
en als gesloten waren,
zo datze JC ziende,
hem niet kenden.
Maar de zegen,
en breeking, en toereikinge des broods,
brengt hen tot nadenken, en 't geen de breedspraakige
en overtuigende redenkavelingen uit MOSJEH, PROFEETEN,
en alle de Schriften niet vermogten,
zal het uiterlijk en
zichtbaar broodbehandelen
vermogen.
Nu zien ze dien vremdeling niet meer als vremdeling,
maar als den HEERE; zijne stem, zijne gebaarden, zijne uitdrukkingen, doen het aandachtig opmerken, en YEHOSJOEA kennen.
Zouden ze hem wel GEKENT hebben, indien hy van gedaante of licchaam ware verandert geweest?
Zegt dat KENNEN niet,
dat hy DEZELVE, geen SCHIM, geen verschijnsel, geen ander licchaam moet geweest zijn,
en dat hy de oogen niet bedroog,
maar zy zich zelven.
KORTOM:
het gaat er wat mij betreft
vooral om zoveel mogelijk verschillende betekenissen te ontdekken
in de ene of andere tekst
die je op een bepaald moment aanspreekt
& iets te zeggen heeft
in jouw
eigen huidige
situatie!
