satan
Ongelukkig Petros, kent gy Yehosjoea niet?
Heeft de vrees u zo vervoert, dat gy Yesjoea, die G ds Zoon is, en de langbeloofde Masjiach;
die de woorden des levens heeft; die u tot zijn Kruis- en Heil-gezant verkoren heeft, niet kent?
Wat is de mensch! Wat zijn ingebeelde kracht! als de Heere hem overgeeft aan zich zelven, is hy de ijdelheid zelve, en vermag minder, als niets.
Petros wordt niet bedreigt, niet voor 't gericht gesleept, maar van eene geringe dienstmaagd aangesproken, en hy verzaakt den Heiland, en zegt: ik ken hem niet, ik weet niet, wat gy zegt.
Maar gelijk iemant, die eens struikelt, ligtlijk voortstruikelt, en valt; zo gaat het Petros hier ook.
Na deeze schriklijk verlochening zoekt hy die gevaarlijke plaats t' ontgaan, en wijkt naar de voorpoort,
of de deur van 't voorplein; waarschijnlijk om weg te gaan, en diergelijk gevaar niet meer te lopen,
maar stil en heimlijk t' ontsnappen.
Onderwijl kraait de haan, gelijk Markus getuigt, en Mosjiach tot een merkteken gegeven had,
dat Petros hem driemaal zoude verlochenen, eer de haan tweemaal zoude gekraait hebben.
Onder het geraas, en gedruisch der knechten, zoud hy dat gedenkteken niet hebben gehoort;
nu hy van hen afgeweken, en buiten dat ijdel geklap en gespot is, hoort hy den haan, die hem aanmaant, die hem opwekt, en zijnen verderen val voorspelt.
Sommigen willen, dat hy ondertusschen wederkeerde tot de Discipelen; maar dit is ongegrond, en de tusschentijd van de eerste tot de tweede verlochening, schijnt zo ruim niet geweest te zijn: en daar zijn geen blijken, dat hy uitgegaan zy voor de derde verlochening.
Hoe, en of 'er haanen te Yeroesjalayiem waren, is van te weinig aanbelang, om uitvoerig betwist te worden: want schoon de Joodsche Leermeesters drijven, sat 'er, wegens de heiligheid der Stad, binnen Yeroesjalayiem hoven, graven, noch haanen waren, noch iets, dat bezoedelen mogt, soreken zy hier in zich zelven tegen, en verhalen van meer dan eenen haan, die binnen die stad gevonden, en zelfs van den grooten Raad ter dood veroordeeld wierden, om het doden van een kind.
Maar genomen, daar zijn in de stad geene haanen geweest, zijnze daarom niet buiten de stad, en 't haangekraai niet schel genoeg geweest, omin 't midden van den nacht, als 't stil, en in rust is, gehoort te worden tot in de stad?
Inzonderheid als men 't paleis van Kajafas begrijpt aan d' eene zijde van Yeroesjalayiem, en niet verre van den stadsmuur: maar wat behoeven wy ons te bekommeren, als de Jooden zelfs voor ons pleiten?
Zo stelt Adrichomius het paleis van Kajafas, en alle Hoogepriesters, digt by den muur en stads poort, die vy de Hofpoort des Hoogepriesters noemt, aan den pottenbakkers akker.
Petros aan 't poortaal gekomen, word van een andere dienstmaagd ontdekt, die hem de bystaanders aantoont, en zegt: deeze was ook met Yesjoe den Nazareener! Zy veracht, gelijk de deurwachtster, den Heiland, en noemt hem den Nazareener, want zo wierd den Masjiach gebijnaamt van zijn' opvoeding-plaats. En is die bijnaam nog lang hier na, den gelovigen en aanhanglingen, van Christos, by verachtinge, gegeven, eer zy Christenen geheten zijn.
Maar hier doet zich eene schijnstrijdigheid op in 't verhaal der Euangelisten, want Mattheus zegt: een andere dienstmaagd, maar den H. Euangelist Markus zegt: de dienstmaagd hem wederom ziende, als of 't eene en dezelve ware, die Petros reeds aangesproken, en de eerste verlochening ontwrongen had.
Lukas spreekt van eenen man, die Petros zag, en zeide: gy zijt van die!
Den H. Euangelist Yochanan beschrijft de tweede verlochening, als by 't vuur, en voor allen geschied, die zich warmden, en zegt: zy zeiden dan tot hem, en zijt gy ook niet uit zijne Discipelen?
Maar die schijnstrijdigheid zal aanstonds verdwijnen, als men stelt, dat Petros nu eens van dien, dan weder van deezen is aangesproken, terwijl hy in bedeesdheid, nu van 't vuur naar de voordeur, dan weder
van de poort naar 't vuur ging; dus kan deeze dienstmaagd de anderen hebben gaande gemaakt, als zy zeide: deeze was ook met Yehosjoea den Nazareener, en de bekommerde Petros, hier door hoe langer hoe meer bevreesd, als hy meer bedremd en omringd was, verlochent andermaal den Heere, zeggende:
ik kenne den mensche niet.
En als ware de hernieuwinge van die misdaad niet genoeg, zo voegt hy 'er eenen eed by.
Hoe grooter vrees, hoe zwaarder val!
Hy roept G d tot getuige van zijne trouwloosheid; en zoud G d willen trouwloos maken, gelijk hy is.
Want een eed is eene bijzondere aanroepinge G ds, en wensch, dat hy, als alwetend en almagtig, der waarheid getuigenisse geven, de trouwloosheis straffe, en 't recht verdedige.
Waarom ook de eed een einde maakt van alle tegenspreking: en 't be-edigde geloofbaar.
Zi vreeslijk bezondigt zich Petros, dat hy tegen de waarheid een eed doet, en G d over zijne ziel aanroept,
dat hy Yesjoe niet kent! Ongelukkige Petros, waar toe brengt u de vrees? Ongelukkigen, die op Petros bouwen, en hem tot eenen grondslag hunner Kerke leggen! als de fondamenten niet vaster staan, kan het gebouw dan wel onwankelijk zijn?
Ziet, hoe veel de Satan op hen gewonnen had, gelijk hem Yehosjoea voorspelde, dat hy hem zocht te ziften. Ziet, hoe listig die duizendkonstenaar zy, eerst brengt hy den Apostel tot enkle ontkentenis, straks tot eenen valschen eed, en zal hem aanstonds tot vervloekinge van zich zelven brengen.
Zo werkt hy in 't begin eene geringe zonde, in den voortgank eene grooter, in 't einde eene gantsch vervaarlijke misdaad. Want gelijk een Heidensch Dichter zegt, geen mensch komt met een sprong tot 't allersnoodst misdrijf.
Die konstenarijen weet, en gebruikt de Satan ook.

Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende