Q169b m'n Halfbroer Isjmaél kwam zo nu & dan langs
EEN GROTE RUWE MAN, DIE ROOK NAAR WILDE BEESTEN! HIJ DRONK WIJN ALSOF HET WÁTER WAS: HIJ SLOEG GROVE TAAL UIT ÈN BLÀFTE ZIJN VÁDER ÀF! IK KÒN NÍET BEGRIJPEN DÀT ER ZÙLKE MENSEN BESTONDEN! HOE KÙN JE LÉVEN ZÒNDER ÉÉRBIED?
IS DÀT
niet hetzelfde als leven zònder vóedsel? Hóe vind je 'dé Wèg' àls je aan níemand de weg vraagt? Ik had de stellige indruk dat hij diep op mij neerkeek omdat ik niet opstandig was èn MÍJN vader vereerde! Telkens wanneer ik gedwee 'ja, vader' zei, barstte hij in lachen uit alsof ik vreselijk grappig was, een zòt, een pias, die slechts bestond om hem te vermaken? Ik was nog maar een kind: ik begreep niet wat hèm bezielde. Ik begrijp het nog steeds niet, maar weet dat sommige mensen niet vòlgen kùnnen omdàt ze héérsers zijn ...
Ishmaél was niet in staat zijn vader te zien àls zijn léidsman omdat hij leidsman wilde zijn van zijn vader. Zùlke zonen bestaan er dus ook: zij die òntkènnen dàt zíj ondergeschikt zijn aan hun vader.
Ik keek ervan op dat ISJMAËLS KARAKTER meer leek op dat van mijn moeder DÀN dat van mij. Mijn moeder hield van mijn vader, dàt is zéker, ze was ook in staat om hèm te gehoorzamen èn hèm àls haar leidsman te zien, maar dat ging altijd gepaard met heimelijke & soms zelfs openlijke spòt, alsof ze TÈLKENS wìlde láten mèrken dàt ze mànnen kómische WÉZENS vond die je niet serieus kon nemen?
Ook dat vond ik onbegrijpelijk omdat Avrahams wijsheid rechtstreeks van g d kwam & dùs allerminst komisch genoemd kon worden ...
Haar spot joeg me angst aan omdat ÌK G d vreesde: híj hàd de kinderen van SDÒM vermorzeld omdat hun ouders ònrecht bedreven, & híj kòn míj dùs tussen duim & wijsvinger doodknijpen om de spòt van mijn moeder te vergelden. Terwijl ik dit zèg, hoor ik 't übervette misverstand dat ik wèk bij menschen die dit Verháál HÓREN vertèllen. Zíj zùllen zèggen: "Yitschak wàs 'n òngelùkkig mens òmdàt híj zo bàng wàs voor Gòd!" Hèt tégendeel is wáár: ik vreesde Gòd èn genóót uitbundig van mijn vrees, zoals 'n vogel dartelt i/d lucht, wetend dàt hóóg BÓVEN hen de róófvogel op hem áást. De vréés líet míj het LÉVEN vóelen, de àngst voor de DÓÓD víerde 'n lévendig féést ìn mijn hóófd!
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende