Twijfelt
'er iemant
aan, hy lette
nader op den nadruk
van ELIHU's woorden {IOV 33-23}:
IS 'ER DAN EEN GEZANT.
een Middelaar,
'n UITLEGGER,
EEN verkondiger van de verborgendheden,
& "heilgeheimen G ds", by HEM,
by den Opper-richter van hemel en aarde,
EEN UIT DUIZEND,
een getrouwe Hoogepriester,
die heilig, onnozel, onbesmet is,
en DEN MENSCH ZIJNEN REGTEN PLIGT VERKONDIGT,
hem lerende, hoe G d op een G d
betaamlijke wijze, zijn G d kan worden,
en wat hy den zondaar afeischt
voor zo groote verlossinge,
ZO ZAL HY,
de rechtvaardige G d,
wiens gerechtigheid moet genoeg gedaan worden,
HEM,
den dood- en doemwaardigen zondaar,
GENADIG ZIJN,
en de Borg,
de Heilgezant tot den Rechter zeggen:
LAAT HEM IN 'T VERDERF NIET NEDERDALEN,
VERLOST hem,
heiligt hem, rechtvaardigt
hem, zaligt hem, IK HEBBE VERZOENING,
los-geld, ziel-rantzoen, genoegdoening GEVONDEN,
om uwe gerechtigheid ongekreukt te bewaren,
op dat gy heilig, en rechtvaardig moogt zijn,
als gy een zondaar
rechtvaardigt?
Klaarder
spreekt de Profeet DANI'EL,
schoon de JOODEN hem onder de PROFEETEN niet stellen:
IN DE DAGEN VAN DIE KONINGEN,
zegt hy,
ZAL DE G D DES HEMELS
EEN KONINKRIJK VERWEKKEN,
DAT IN EEUWIGHEID
NIET ZAL VERSTOORD WORDEN,
EN DAT KONINKRIJK
ZAL GEENEN ANDEREN VOLKE
OVERGELATEN WORDEN,
HET ZAL ALLE DIE KONINKRIJKEN VERMALEN,
EN TE NIET DOEN,
MAAR ZELF
ZAL 'T IN EEUWIGHEID BESTAAN.
De Koningen zijn de Oppermogendheden door 't wonderbeeld vertoond,
in welker laatste, naar den ondergang
van de BABELHEERSCHAPPY,
en der MEDEN oppermagt,
en der GRIEKEN alheerschend gebied,
als de ROMEINEN
de vierde monarchie zouden hebben opgeregt,
door 't eenhoofdig bestier hunner KEIZEREN;
dan zoud G d zijn HEMELSCH Koninkrijk,
geen VIJFDE Monarchie opregten,
door Koning YEHOSJOEA,
en dat heilrijk zoud in EEUWIGHEID bestaan,
de weereld verduren,
en daar boven volmaakt zijn.
Dat heilrijk
zoud alle weereldrijken VERMALEN,
en de Koningen hunne kroonen,
en schepters werpen voor de voeten van den Koning der Koningen, &
alle hunne heerlijkheid in 't geestlijk TSION inbrengen:
maar het zoude van het EENEN VOLK niet OVERGAAN tot een ANDER,
gelijk dat van BABEL of ASSYRIEN overging tot de PERSEN, en MEDEN,
en dit weder tot de GRIEKEN, en VAN
DE GRIEKEN tot
de ROMEINEN,
want G d zoud KONING zijn,
en dit rijk door zijnen Geest,
genade, en krachtigen arm, en hemelwet bestieren,
beschermen, uitbreiden,
en in den hemel
overbrengen.

OPWINDEND!