werd de koning door ontzetting bevangen. Zóveel kràcht in zó weinig woorden ...
'Is God ècht dood?' vroeg de koning.
'Niet alleen dood, maar hij is ook nooit geboren', antwoordde de nar. 'Of liever, hij (zij/het) ontstaat in de geest van de onwetenden & sterft in die van degenen die weten.'
Toen de wijze de nar zo hoorde praten, herinnerde hij zich de volgende anekdote: 'Één van mijn professoren had op zijn deur geschreven: "God is dood", getekend "Nietzsche". Schertsend had 'n student eraan toegevoegd: "Nietzsche is dood", getekend "God".'
Onthutst wees de koning op de stijlverwamtschap tussen die grap & de boodschappen die zijzelf hadden ontvangen. 'De dood van de mens ...
zou die verband kunnen houden met 't doden van God? En de oppervlakkigheid zowel als de trivialiteit die in mijn volk zijn binnengedrongen ...
zouden die verband houden met 't verlies van 'n diepe levenszin?'
Toen hij die vlucht metafysische gedachten hoorde, kreeg de nar schrik: 'Ah nee! U gaat toch niet zulke flauwekul koesteren?'
Maar de koning luisterde allang niet meer naar hem. Hij was opgestaan & naar 't raam gelopen, en overschouwde z'n ganse land.
'Ik heb hun werk en ontspanning gegeven, brood en spelen. Maar wat mijn volk mìst, is 'n ZIN die 't leidt? Mijn volk heeft 'n èchte godsdienst nodig!'
Wordt vervolgd: straks, 'vroeger of later' ~
met de bijeenroeping van 't "Grote Godsdiensttoernooi" ~ wíe (of wàt) van de 1, 2, 3, 4, 5, 6 of zeven? Òf is dat alles 'om 't even'!? We'll see, or
we won't ....
