Het
zijn dus
allemaal puur menselijke
'visies, opinies, meningen', gewaarwordingen,
momentele tijdelijke 'mydinotities
onderweg':
'T
stadhouderschap van
Pilatus na den dood van Herodes,
en 't verbannen van Archelaus zijnen zoon,
bewijst [volgens Mat Gargon e.d.!] onwraakbaar,
dat de kroon van de Idumeers omgekeerd, en de tijd van den Masjiach geboren was:
nu de scepter van Yehoedah geweken, Syrien & Yehoedah een wingewest
geworden, en de kroon van Herodes nageslacht omgekeerd
en vernietigd was.
Maar zal de naam van Pilatus het geschil tusschen ons, en eenige Jooden beslechten,
en ons den regten tijd van 's Heilands kruisdood aanwijzen.
Geen Jood kan de voorzegginge van den Profeet Daniel wraken,
die den kruistijd van den Messias bepaalt had op 70 weeken, en zelfs eene halve week uitgezondert,
als zijn dood het slacht en spijs-offer, en dus geheel den Tempel-dienst zoud doen ophouden.
Die 70 weeken, of 490 jaaren liepen nu ten einde, en de halve week, of 3 jaaren,
en een half van het predik- en Profeetisch-ampt van JC was volbragt.
Maar de Jooden, om deeze drang-reden t' ontwijken, drijven, dat JC gestorven zy,
ten tijde van Aristobulus, veele jaren voor Pontius Pilatus, en wel een eeuw,
of anderhalve voor JC geboorte.
Anderen stellen zijnen kruisdood veel laater, en in 't zevende jaar van Tiberius,
wanneer Pilatus nog geen Stadhouder was: want Valerius Gratus was van den Keizer Tiberius,
in 't begin zijner heerschappy, tot Landvoogd aangesteld, en wel elf jaaren gebleven.
Na hem volgde Pilatus, en was tien jaaren Stadhouder, met volmagt van dood en leven.
Maar in 't vijftiende jaar van Tiberius, wierd JC gedoopt, en in zijn profeetisch ampt ingehuld,
dat hy drie en een half jaar bediende, als hy gekruist is 33 jaaren, en een half oud zijnde;
en dus was Pilatus omtrent achthalf jaar lang Stadhouder geweest.
Zo verstuiven alle de Joodsche mistellingen, en brengt ons Pilatus tot de negen-en-zestigste en halve week van den Profeet Daniel, wanneer de Messias moet uitgeroeit worden. De Romeinsche geschied-schrijver Tacitus versterkt deeze waarheid, en zegt: De insteller van den Christennaam is een Christus, die onder 't gebied van Tiberius door des zelfs Stadhouder Pontius Pilatus is gekruist.
En Pilatus zelf gaf hier van kennisse door eenen brief aan den Keizer, die JC onder zijne Goden wilde stellen, en gestelt zoud hebben, 't ware de belgzucht van den Roomschen Raad dat gestuit hadde: zo men Euzebius geloven mag.
Maar de Messias zoude niet voor zich zelven uitgeroeid worden in de helft der weeke, hy moest de zonde
verzegelen, d' ongerechtigheid verzoenen, en een' eeuwige gerechtigheid aanbrengen. Is dat niet het eigen werk van den waaren Hoogenpriester?
En waarom is de Tempel verwoest, de gantsche offerdienst vernietigd, het Joodendom ballinglands gedreven, zonder Koning, zonder Priester, zonder Efod, zonder Vorst, zonder offer? Is 't niet, om dat JC de waare Hoogenpriester, zijnde ziel gestelt heeft tot een schuldoffer, en uit het land der levendigen is afgesneden, zich vernietigt hebbende tot den dood, ja den dood des kruises.