Waarom
zijn we er
en waarom zijn we er
niet veeleer niet,
heeft geen
antwoord.
We zijn
onszelf een raadsel,
weten niet waar we vandaan komen
en waar we
heengaan.
Maar
het raadsel is nog groter:
waarom zijn we er maar even, en daarna
niet meer?
Elk mens
is een tijdelijk verschijnsel.
Onze macht, waarde en waardigheid is begrensd
door onze tijdelijkheid.
Waar ligt dat aan en wat
brengt dat mee?
Geest
en adem horen bij elkaar,
de samenhang tussen die twee verduidelijkt
waarom we voor een tijd
een plaats van
'god' zijn.
Doodgaan
is inleveren, adem inleveren.
We zijn letterlijk voor ons bestaan aangewezen op lucht,
op de lucht die we
inademen.
Is er
geen lucht meer, dan stokt de adem
en gaan we dood,
en omgekeerd is doodgaan ophouden met ademen.
Wie een mens heeft zien sterven weet
hoe adembenemend
dat toegaat.
Aangewezen op adem,
op iets van buiten: dat element delen mensen met elkaar,
zo handhaven we ons.
Zolang het duurt,
ademen houdt een keer op:
een mens blaast de laatste adem uit,
zeggen we.
Pure biologie?
Een evolutionair gegeven ...
Maar tegelijk meer
dan dat!
Met dat
inleveren van de adem levert een mens
de geest weer in.
Geest (onze positie als plaats van god) staat of valt
met levensgeest.
Dat onverwoestbare en onherleidbare fenomeen:
geest,
is zichzelf niet machtig,
het beschikt niet over de levensgeest.
Als een mens sterft is het over en uit.
Geheel in de lijn van alles wat vooraf ging.
"Transcendentie" is iets waarover je niet kunt
beschikken.
Als we niet beschikken over de levensadem
is het duidelijk
dat we ook niet beschikken over geest.
Voor een tijd er een plaats van zijn,
en dat is het,
maar na een tijd, tijden, of een halve tijd,
leveren we hem weer in.
Maar voor een tijd!
Dat 'maar' is dubbelzinnig.
Je kunt het opvatten als: even wachten,
voor je wat al te enthousiast verder gaat met dat
'plaats van god',
er zit een beperking aan vast,
het duurt zolang het duurt,
en dat is een mensenleven lang,
de tijd dat ons de levensadem
is gegund.
Daarna is het op.
Of ons al dan niet een natural life span is toegemeten,
doet niet ter zake.
We zijn 'plaats van god' af, als we doodgaan.
Dat klinkt onverbiddelijk, deze beperking,
en dat is ze ook:
ze brengt ons eindigheid op formule.
Je kunt dat 'maar' dus ook lezen als een klacht:
helaas zijn we slechts voor een tijd
een plaats van god.
Mensen die bij 'god' aan onsterflijkheid denken,
zuchten er extra diep bij:
we zijn helaas maar even onsterfelijk,
misschien alleen in het diepst van
onze gedachten.
Zo oud als de wereld is, is de dood er,
gaan mensen dood als dieren,
en liggen juist mensen met de dood overhoop.
Raadsel (Waarom is hij er?),
Spelbreker (Hij bedreigt het idyllische leven!),
Rover (Hij ontsteelt ons onze Geliefden!),
Sloper (Vernietst alles wat leeft en bloeit ...):
weerzin en angst bevangen mensen van oeroude tijden
als we aan de dood denken.
Doodgaan is het meest weerbarstige stukje chaos
uit de geschiedenis van de mensheid.
Het invoegen in de wereld 'van betekenis'
gaat kennelijk niet, althans:
het gaat moeilijk.
Dieren gaan dood zonder gepieker,
ze weten van niets,
kennen geen vraagtekens, geen toekomst,
ondergaan hun lot.
Mensen zullen ook wel zo begonnen zijn,
doch er komt een moment dat mensen kennis verzamelen
(en niet alleen maar knollen en noten),
naar voren kunnen kijken,
en van doodgaan weten.
En dan begint het gevecht om doodgaan onder woorden te brengen,
het tot een stuk van de wereld 'van betekenis' te maken.
Dat proces begint met een woord voor 'moeten sterven' uit te vinden,
ons woordje 'dood', en het eindigt met het geloof dat doodgaan
ergens goed voor is,
bijvoorbeeld dient als poort naar het eeuwige leven.
Je kunt dat 'onder woorden brengen', dat begin,
bijna zien als een bezwering, althans een poging daartoe.
Is er een woord voor,
dan kun je er tenminste over praten,
en alleen al praten verlicht de druk.
Zelfs als een 'hij' erover praten, als een mythologische figuur,
die door drieste spotters uitgebeeld werd als de man met de zeis.
Zo
bergen mensen angsten op in ver-
beelding.
Maar hoever kom je
met je bezweringen?