Maar ziet,
in 't midden dier smaad-woorden,
in 't midden dier tigeraartige mishandelingen,
die zijne heerlijkheid zo verduisteren, breekt zijn hemelglants
door alle die nevelen heen,
& geeft hy blijken van wonderkracht,
en de vader bewijst, dat hij zijnen zoon lief hebbe,
en niet wil, niet kan
onbetuigd laten.
Want van den zester uure
word 'er duisternisse over de geheele aarde,
en de zonne zelve toont eerbied voor Yehosjoea,
die van ieder bespot is.
Een der moordenaaren word in 't hart getroffen,
en door zielveranderende genade van der gekruisten middelaar, bekeert en gezaligt.
Kan de gehoonde meer verheerlijkt worden?
Blijft dan nog eenen wijl op Golgotha,
en neemt deeze dingen in acht:
de bekeering van eenen der moordenaaren,
de verduistering der zonne op den middag,
de godlooze spotzucht van sommigen,
en de betoninge, dat Yesjoea
de waare hoogepriester zy.
[Het mag dan wel allemaal fantasierijke overdrijving zijn maar 't is daarom nog niet minder waardevol]!
Wy hebben voorheen al eerder en vaker gezien,
hoe twee moordenaaren ter kruis-straf veroordeeld,
nevens Yesjoe uitgeleid, & aan 't kruishout genageld waren.
Want in dezen tijd, was 't Joodenland vol oproerigen, en struikroovers, en geweldenaars:
het zy door wanijver der zogenaamde zeloten, het zy door kwaade opvoeding der aterlingen,
die uit onophoudlijk scheidbrief-geven,
en overspelen hersproten.
Zulk een was Barabbas,
hoewel vrij gekeurd. Zulke waren deeze twee,
die het kruis tot loon van schend-daaden kregen, en zieltogende, alle de scheld-
en laster-woorden der spotzieke jooden en priesters gehoort hadden. Daar voegen zy zich by,
en spotten, en lasteren, en verwijten JC zijne gewaande magt, dat hy zich niet verlossen kan.
Want jooden zijnde, en met joodsche vooroordeelen bezet, konnen zy deezen gekruisten
en magtloozen messias niet aannemen, maar vinden hem bespotlijk,
om dat hy zich niet
van den dood
verlost.
Onbegrijplijke kracht der godloosheid,
om godlooze schelmstukken aan 't kruis genageld te zijn, en nog te spotten:
den dood voor oogen te zien, en nog te lasteren: voor god te moeten verschijnen,
en het vertrouwen op god uit te krijten. Zo moet de straf der godloozen niet beter,
maar godloozer, verwoedender,
wanhopiger maken.
Doch hier
doet zich eene schijnstrijdigheid op,
tusschen Mattheus en Lukas. Want onze h. euangelist spreekt van beide moordenaars,
en Lukas maar van eenen, zeggende: en een van de kwaaddoenders, die gehangen waren,
lasterde hem. Verscheidendlijk
is hier op geantwoord.
Sommigen meinen,
dat eerst beide moordenaars,
gezamentlijk, het godloos voorbeeld der jooden volgden.
En wat konnen godloozen vermaaklijker vinden, als godlooze voorbeelden?
Maar dat een van beide, ziende op den helderen middag de zon verduistert, met schrik geslagen,
en tot inkeer gebragt wierd. Wonderlijk is ook god in zijne werken, voornaamentlijk der genade,
en weet uit de duisternisse zelve,
het licht te doen
voort-komen.
Anderen echter
vatten het anders,
en voor eene talwisseling,
waar door beiden word toegeschreven,
het geen maar een van beiden gedaan heeft.
Die spreekwijze is zeer gebruiklijk by heilige en onheilige schrijvers,
en te bekend, om bewezen te worden. Eenige oude kerkleeraars hebben gewilt,
dat Mattheus hier door het lijden des heilands vergrootte,
en tonen wilde, dat hy van allerhande menschen,
jooden, overheden, ja moordenaars,
bespot en gelasterd zy.
Hoe men 't vatte,
het komt daar op uit,
dat een van die booswichten berouw heeft,
zich tot JC bekeert, en op 't vloekhout de zaligheid vind.
Maar of deeze boetling ter rechterhand van Jesus hing,
en de lasteraar ter linker, durven wy
niet bepalen.
'T is waar,
die zulks stellen,
vinden daar in geen onaardig zinbeeld van den laatsten dag, en 't algemeen
oordeel, daar men den gelovigen aan 's rechters regter- en de godloozen, aan zijne slinker-
hand zal zien staan; en die gezaligt,
en deezen buiten gesloten worden.
Dat genade-oog,
dat Petrus bekeerde,
treft ook den moordenaar in 't hart,
& maakt hen van een godloos mensch,
een godvruchtigen belijder: van een wreeden struikroover, een boetwaardigen martelaar;
van een bloeddorstigen moordenaar, een prediker der gerechtigheid.
Hy is aan 't kruis genageld, en volgt JC;
hy hangt op Golgotha,
en gaat in
't paradijs.
Gelukkige doodstraf,
die het eeuwig leven baart.
Je
kunt er
dus blijkbaar heel
veel etiketten op plakken:
effectbejag, propaganda, reklame, overdrijving,
populisme, prediking, spraakkunst, euangelium~
verkondiging & wat al niet? Mensen hebben elkaar al ver-
halen verteld van voor de tijd dat we konden spreken &
talen tot onze beschikking hadden met 'n zekere woorden~
schat ['in de hoofdakker']! Eerst was 't mimiek & gebarentaal,
zang & dans, vertellingen rondom het warme kampvuur & in de huiselijke kring:
we hebben zo al heel wat aan elkaar doorverteld in de loop der eeuwen
over goden en godinnen, geesten, engelen,
duivels & gedrochten,
over kwaad &
go{e}d
...
In
mydi gaat
die traditie rustig
verder en door
op eigen wijze:
't leven is
'n pijp
"kaneel"
...