In Yeroesjalayiem, dat in de 14e eeuw 'bc' (meer dan 3400 jaar geleden) opkwam als één v/d stadstaten van Kanaän ~ zij 't 'n minder belangrijke dan Chatsor of Megiddo ~ was de Hoerritische invloed sterk.
't Territorium v/d stad strekte zich nu uit tot 't land van Sichem & Gezer. De heerser ervan was Abdi-Kefa, die 'n Hoerritische naam had.
Onze kennis van Yeroesjalayiem op dit punt is ontleend aan de in 1887 in El-Amarna in Egypte ontdekte spijkerschrifttabletten, die deel schijnen uit te hebben gemaakt v/d koninklijke archieven van de farao Amenhotep III (1386-'49) & diens zoon Achnaton (1350-'34) {meer dan 250 jaar na de ontploffing van Thera}! Zij bestaan uit on-geveer 150 brieven van Kanaänitische vorsten, gericht aan de farao, hun opperheer, & bewijzen dat 't land 'in beroering' was. De stad-staten waren toen (alweer) met elkaar in oorlog: prins Labajoe van Sichem voerde bv. 'n nietsontziend expansiebeleid & had z'n territoria i/h noorden uitgebreid tot aan 't Harpmeer van Galilea & i/h westen tot Gaza. De vorsten klaagden ook over binnenlandse vijanden & ze smeekten de farao om hulp! Egypte, dat in oorlog was met de Chettieten, bleek hen weinig steun te verlenen. De onrust @ Kanaän was de farao waarschijnlijk niet welgevallig, omdat dit betekende dat de stadstaten niet in staat waren tot 'n gezamelijke stellingsname tegen de Egyptische hegemonie? Zes v/d Amarnabrieven zijn van Abdi-Kefa van Yeroesjalayiem, die niet echt één v/d succesvolste heersers van Kana'an schijnt te zijn geweest: hij betuigt in buitensporige termen z'n trouw aan de farao & smeekt klagend om hulp tegen z'n vijanden ~ 'n hulp die niet zou komen!
Abdi-Kefa was niet opgewassen tegen Sichem & verloor tenslotte ÀL z'n bondgenoten. Er vonden ook op-standen plaats i/d stad Yeroesjalayiem ZÈLF: desondanks wilde Abdi-Kefa niet dat 'r óók naar zíjn stad Egyptische troepen werden gezon-den, want hij had al genoeg last ondervonden v/d slechtgetrainde & onvoldoende bevoorrade Egyptische soldaten, die, zo klaagde hij, al-reeds zèlfs zíjn paleis waren binnengevallen & hadden gepoogd om hem te doden. Hij vroeg daarom aan de farao inplaats daarvan ver-sterkingen te zenden naar Gezer, Lakisj of
Asjkelon.
Als er uit Egypte géén hulp kwam, dàn zou 't 'land van Yeroesjalayiem' beslist in de handen van zijn vijanden vallen?!
't Is vrijwel zeker dat Abdi-Kefa die hulp nooit heeft ontvangen: in die tijd werd 't heuvelland al zeer spoedig 'n soort van gedemilitariseerde zône: de vestingstad Sjilo bv. werd verlaten & zo'n 80% v/d kleinere nederzettingen in 't bergland was omstreeks de 13e eeuw 'VC' verdwenen & vlg. sommige geleerden heeft 't volk dat door de bijbel de Jebusieten werd genoemd, zich in die onrustige periode in Yeroesjalayiem gevestigd. Andere beweren, op grind van literair bewijsmateriaal, dat die Jebusieten, die nauw verwant waren aan de Hettieten, pas i/h land aankwamen NÁ de val v/h Hettitisch Rijk omstreeks 1200 bc: hoe dan ook onzeker blijft 't!!
