MATTHEUS XXVIII. 1--4
EN
LATE [NA]
DEN SJABBAT, ALS
'T BEGON TE LICHTEN
TEGEN DEN EERSTEN [DAG] DER WEKE,
KWAM MIRYAM DE MAGDALIET, EN DE ANDERE MIRYAM, OM 'T GRAF TE BEZIEN.
EN ZIET, DAAR GESCHIEDDE EEN GROOTE AARDBEVINGE: WANT EEN ENGEL DES HEEREN,
NEDERDALENDE UIT DEN HEMEL, KWAM TOE, EN WENTELDE DEN STEEN AF VAN DE DEURE,
EN ZAT OP DEN ZELVEN. EN ZIJNE GEDAANTE WAS GELIJK 'N BLIKZEM, & ZIJNE KLEEDINGE
WIT GELIJK SNEEUW. EN UIT VREEZE VAN HEM, ZIJN DE WACHTERS ZEER VERSCHRIKT GEWORDEN,
& WIERDEN ALS DOODE. GEHEIM- & HEIL RIJK WAS 'T BEVEL, DAT G D ZIJN OUD BONDVOLK GAF,
OM OP DEN JAARLIJKSEN ZOENDAG, TWEE GEITENBOKSKEN
DEN HOOGENPRIESTER IN HANDEN
TE STELLEN, EN
EENEN OFFER-
BOK.
De Priester
moest zijne goude kleederen af-
en den witten linnen rok, onderbroek, gordel, en hoed, wrong-muts, aandoen,
om in 't Heilige der Heiligen in te gaan. De twee bokken wierden by den altaar gebragt,
de loten in de bus geworpen, omgeschud, en op de hoofden dier beide dieren gelegt,
met uit-drukking:
VOOR DE ZONDE;
EN VOOR [H]AZAZEL!
Waar op de Zoen- en Zond bok plegtlijk geslacht, het bloed als dierbaar ontfangen,
binnen 't voorhangsel gebragt, en zevenwerf naar 't zoendeksel gesprengd
wierd. Na 't uitvoeren deezer plegtigheden, trad de Priester tot den bok
[H]AZAZEL,
en met een sterken
nederdruk van zijne handen op 't hoofd des boks,
deed hy eene nadruklijke belijdenisse zijner, en zijns volks, zonden,
zeggende, byna met de woorden van
DANI'EL:
IK BID U,
HEERE, WY HEBBEN TEGEN U GEZONDIGT,
WY HEBBEN WEDERSPANNIG GEWEEST, WY HEBBEN OVERTREDEN, UW VOLK,
HET HUIS ISRAELS,
IK BID U, HEERE,
VERGEEWF NU ONZE MISDADEN EN WEDERSPANNIGHEDEN,
EN ZONDEN, DIE UW VOLK, HET
HUIS YISRAEELS, TEGEN
U BEDREVEN
HEEFT.
Beter
[blijkbaar] dat
die ENE sterft
voor alle
anderen
...