Maar
wat doet
gy Petrus? gy
brengt u, en de
mede Apostelen, en de zaake
van JC in 't uiterste gevaar door uw' onbesuisde daad,
Wilt gy, dat men Mosjiach, en zijne aanhanglingen, voor oproermakers uitkrijte?
Wie gaf u magt, wie recht om te slaan, en 't hoog gezag der Jooden, en Romeinen te wederstreven?
Zulke verdedigers vereischt deeze tijd niet.
Zult gy alleen deeze gantsche krijgsbende vernielen?
Wat kan het afhouwen van een oor geven,
dan te meer woede en wreedheid
onder den vyand?
Verscheiden
hebben verscheidene,
en geen onaardige gedachten,
over 't afhouwen van dit rechter oor:
hier door, zeggen ze, wierd betekent,
dat het Joodsch volk de wet niet meer horen,
en 't Profeetisch woord missen zoude:
dat men voortaan geenen Hoogenpriesters horen,
noch missen zoude:
dat men voortaan geenen Hoogenpriesters horen,
noch dehoorzamen moest,
die den Tabernakel dienden:
dat vrijwilligen dienstknechten wierd het oor doorboord,
en Malchus zich had aan den Hoogenpriester verslaaft,
dat het oor zeer geacht en eerbiedwaardig gehouden, en
daarom in 't kussen, en andere plegtigheden gegrepen wierd,
waar van nog onz duitsch
oorkonden.
Dusdanige
zinspelingen zoud
men veele konnen
geven, maar laat ons
zien, hoe JC de daad
van Petrus opvat. Laat ze tot
hier toe geworden, zegt hy, of volgens
onzen Euangelist: steek uw zwaard in de schede:
als of hy zeggen wilde: verder niet.
't is genoeg. en en te
veel gewaagd: gy hebt
onbesuisd geijvert, steek
uw zwaard
op.