'T is onwraakbaar uit den H. Euangelist Markus,
dat JC allereerst zy gezien van Miryam haMagdaliet,
waar uit schijnt afgenomen te konnen werden,
dat zy den wentelsteen van 't graf hebbende gezien afgewenteld,
en daar uit besluitende, wat 'er geschied ware, zich stedewaards,
en tot de bedroefde Apostelen begeven, en JC ontmoet hebben,
terwijl de andere vrouwen by 't graf bleven treuren;
in die verbeeldinge, dat iemant JC had weggenomen,
uit last van den Hoogenpriester of gantschen Raad,
om den Apostelen die schenddaad op te tijgen,
en voor den Landvoogd allen dood strafbaar te maken.
In die verlegendheid spreekt de H. Engel haar aan,
verkondigt 's Heilands opstanding, en wil,
dat zy de grafstede zelve beschouwen zullen,
om ooggetuigen deezer waarheid te zijn.
De andere, of TWEEDE Engel
schijnt gezwegen te hebben,
om de rede des eersten niet te verwarren,
maar klem en kracht te geven door zijn ontzachlijke tegenwoordigheid:
nadien, volgens de wet, alle waarheid in den mond van TWEE of DRIE getuigen,
onbetwistbaar was.
Dat een Engel spreke,
zal niemant vremder vinden,
als dat een Engel verschijne in zichtbaare
en menschlijke gedaante.
Hoe zoud ook anders
die hemelbode zijn gezandschap volvoert,
en de wonderlijke verrijsenisse des Heilands bekend gemaakt hebben,
indien hy geen vatbaar geluid,
of verstaanbaare stem
had konnen maken?
'T is eigen aan den mensch,
door den onbegrijplijken wonderknoop tusschen ziel en licchaam,
zijne gedachten uit te spreken,
en anderen mede te deelen.
Hier toe dienen de spraaktuigen
van long, tond, tand, lip,
die op ontallijke wijzen de lucht bewegen,
en aan 't gehoor brengen.
Als dan een Engel een licchaam bezielt,
indien ik zo spreken mag,
zo kan hy zijne gedachten te verstaan geven,
en spreken,
gelijk
de menschen
spreken.
Maar wel
ligt zal iemand vremd vinden,
dat hier de hemel-gezant werde gezegt GEANTWOORD te hebben,
daar echter hem niemant aan-
of toe-
sprak.
Maar de spreekwijze
komt ons dikwijls voor in 't N.T. op dat het Grieksch,
apokritheis, zo wel SPREKEN, UITGEVEN, ZEGGEN,
als op een vrage ANTWOORDEN,
betekent.
Dus
werd meermaalen
van JC gezegt,
hy
ANTWOORDE,
schoon 'er
niemant was, die vraagde,
om dat hy de GEDACHTEN der menschen zag,
en hunnen overleggingen
door "G dlijke alwetendheid"
ontdekte.
Zo konnen wy 't hier ook vatten,
dat de H. Engel de gedachten, overpeizingen, bekommeringen,
en innige droefheid der vrouwen zag, en zijn aanspraak daar na schikte,
om haar van alle vrees te bevrijden.
Niet,
dat wy de H. Engelen
ALWETENDE
begrijpen, of begrijpen moeten;
want dat is "G de"
alleen eigen.
Maar dat nu
deeze hemel-gezant van "G d" uitgezonden,
om de blijmaare van 's Heilands opstandinge aan de vrouwen te verkondigen,
door denzelven "G dlijken wil", waar door zy uitgezonden waren,
ook zal verstendigt en bewust zijn van der voruwen kommer en angst,
gelijk hy daarom zelf zegt:
"Ik weet,
dat gy zoekt Yesjoea,
die gekruist was!"
En buiten
"G ds WIL"
is 't onbedenklijk,
hoe de Engelen iets weten van 's menschen doen, en denken;
en hoe zy malkanderen hunnen gedachten konnen mede delen,
tot grooter roem
en heerlijkheid
"G ds"?
Dies
moet "G d",
die zulk eenen wonderknoop
tusschen onze ziel, en onz licchaam gelegt heeft,
dat het een op 't ander deel werkt, tusschen Engel en Engel, tusschen Engel en onze ziel,
te gelijk een verband hebben gelegt, dat niet alleen de H. Engelen hunne onderlinge vreugd kennen en
vermeerderen, maar ook in zekere voorvallen, als dit,
met de menschen in onderhandeling treden,
en mondgesprek houden konnen.
Zo verschijnen deeze Engelen,
en nemen de bekommerde gedachten der vrouwen,
door eene troostrijke aanspraak weg, zeggende:
"Vreest gy lieden,gy volijverige, en G dvruchtige vrouwen,
die den Heere bemint en dient, en daarom uwe liefde nog aan zijn licchaam bewijzen wilt,
VREEST GY LIEDEN NIET! Laat 't Heilands vyanden vrezen; laat die wachters tsidderen,
en beven voor ons, die met zo vreeslijke schitterstraalen gewapend zijn,
om de "G dloozen te verschrikken",
en u lieden te verdedigen:
VREEST NIET!"
ZO
sprak G d
voormaals tot Avraham, den Vader aller gelovigen:
VREEST NIET!
En wie kan tot G d naderen?
Wie met hem in een heilverbond treden?
Wie G d
zijnen G d,
en heiligmaker,
en rechtvaardigmaker,
en levendigmaker noemen,
en voor "G d" vrezen?
De vrees
komt van de zonde,
en overtuiginge
van strafwaardigheid!
Maar die op 't Zond-
en Zoen-offer van den Borg, met G d een verbond maakt,
die word gereinigt van alle zijne zonden, en gerechtvaardigt,
en gezaligt.
