Nomen Est Omen 244b 't gàf géén pàs dat 'n SLÁÁF ~
zijn Méésteres behàndelde als 'n meubelstuk,
terwijl zíj hèm gekòcht had òm zich te vleien met zijn ònblùsbare òpwìndìng bij het zíen vàn háár Schóónheid? Ze overwoog hem te bevelen om zijn begéérte te tónen, maar ze besèfte dàt ze dáár níets mee opschoot: want ze wìlde juist dat hij spòntáán naar haar smàchtte & vervòlgens lééd ònder haar ònberéikbaarheid! Dàt zou pas ècht héél wat úren van grote verveling kunnen verdríjven wanneer zó'n Móóie Knááp met 'n Smékende Blìk àl Háár Bewégingen vòlgde èn zíj zich zódoende nú
zònnen kòn in zíjn bràndende ógen?!
Maar níets van dat alles: hij deed gehoorzaam alles wat zij hem opdroeg, meer niet! Op 'n Dàg kwam haar nìchtje Asnath bij haar logeren: Asnath was een dochter van Potifera, een priester uit Annu in het noorden van AeGYPTe; ze was een jaar of zestien, precies weet ik het niet. Zíj vereerde NEITH, de godin van de Wijsheid, en DÓÓR díe veréring was ze inderdaad een bedachtzame jonge vrouw geworden: MÉNÈ vond háár juist daarom ontiegelijk saai en omdat ze zich met háár verveelde besloot ze haar vermaak te zoeken bij Yosef! Ze riep hem bij zich & terwijl Yoseef vóór beide vrouwen diep vooroverboog met z'n HÀNDEN gekruist over z'n brede borst, vroeg ze hem: "JÒNGEN, WÉÉT JIJ WEL WÀT MÍJN NÁÁM BETÉKENT?" 'Nee, mevrouw.' "HIJ BETEKENT 'BÉÉLDSCHÓÓN'"! 'OP.' "WÀT VIND JE DÁÁRVAN, JÒNGEN?" 'Dàt díe NÁÁM bij u pàst, mevrouw.'
Ze zùchtte òngedùldig. "EN WÁÁRÒM PÀST DÍE NÁÁM BIJ MÍJ?" 'Omdat u beeldschoon bent, mevrouw,' zei Yosef. 'Ik heb nog nooit zo'n mooie vrouw gezien als u.' Hèt antwoord was volmaakt, maar er was geen enkel spoor van hartstocht in te ontdekken! MÉNÈ voelde 'n màchteloze wóede als 'n stòrm in zich opsteken & tegelijktijd besefte ze dàt zíj verlíefd was! Níet hij, maar zíj was de hópeloos verliefd smachtende, níet Híj maar zíj was de SLÁÁF
van hèt Verlàngen!
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende