{!} nb liefde {?}
Liefde lokt
een zoet geluid:
Uit de dwarse herdersfluit
Lacht de lieve vrede; Klinkt de schorre krijgstrompet,
Op het briesende genet, 't Pantser aan, en 't krijgshelmet
Op de blonde lok gezet, Trekt ze strijdwaart mede.
In de feestelijke zaal Blinkt zij in haar blijdste praal,
Regelt scherts en zangen; Waar de meiboom is geplant,
En de landjeugd, hand aan hand, Omspringt naar den boerschen trant,
Naakt ze met haar rozenband, Huppelt ze in rangen.
Zij regeert op 't blijde veld, Zij in woelig krijgsgeweld,
Zij in 't hofgewemel; Sedert werelds aanbegin,
Voerde zij haar wetten in; Ze is gedaald van hooger tin;
Enkel hemel in de min, Enkel
min de hemel!
En de boer:
hij ploegde voort;
Wijl de werker zwoegde!
Klerken voegden 't Al tezaam: Naar 't Beeld der Goden!
O, hoe vruchtbaar is dit Land: Vrijgevochten van Hèt Water!
Ziet hoe schoon de Vrouwe poetst: Wijl haar Zonen Doden!
't Hondje blaft wat in de Wind: 't Poesje likt wat later!
Op de Troon zit onze Vorst:
Onder Gods
Genade
...
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende