Niets nieuws onder de zon dan een Marslanding & een aardbeving, een Maandstonde & een vul-kaanuitbarsting, een Zondvloed & een landverschuiving, een Uittocht & een intocht, een Geboorte & dood?
Als nu Yehosjoea te Bethanien was, ten huize van Sjimon den melaatschen: Quam tot hem een vrouwe hebben een alabaster-flessche met zeer kostlijke zalve, en goot ze uit op zijn hooft, daar hy aan
[tafel] zat.
En zijne Discipelen [dat] ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende, waar toe dit verlies?
Want deze zalve hadde konnen dier verkocht, en de [penningen] den armen gegeven worden ... Maar Yesjoea [zulks] verstaande, zeide tot hen, waarom doet gy deze vrouwe moeite aan?
Want zy heeft een goed werk aan my gewrocht. Want de arme hebt gy altijd met u, maar my hebt gy niet altijd. Want als zy deze zalve op mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zy het gedaan tot ['n voor-
bereidinge van] mijne begravenisse. Voorwaar zegge ik u, alwaar dit Euangelium gepredikt zal worden in de gehele wereld, [daar] zal ook tot harer gedagtenisse gesproken worden van 't gene zy gedaan heeft. Toen ging een van de twaalve, genaamt Judas Iskarioth, tot de Overpriesters. En zeide: wat wilt gy my geven, en ik zal hem u overleveren? En zy hebben hem toegelegt dertig zilvere [penningen] {'t loon
van een slaaf}!
En van toen af zogt hy gelegentheid, op dat hy hem overleveren mochte.
MATAI XXVI: 6-16
Wayehi bihyot Yesjoea Beit-Hini beveit Sjimon hametsora: watikrav elaw isjah oevyadah pach-sjemen yakar meod watitsok al-rosjo bahasibo al-hasjoelchan; Wayiroe hatalmidim wayitraamoe lemor:
al-mah haiboed hazeh? Kie hasjemen hazeh hayah raoei lehimacheer bimechir rav oeltito laaniyim!
Wayeeda Yesjoea wayomer aleihem: lamah togoe et-haisjah, halo maaseh tov asjtah imadi! Ki asjer sjacha et-hasjemen hazeh al-goefi lachanot oto astah zot! Ameen omeer ani lachem baasjer tikaree habesorah hazot bechal-haolam gam et-asjer hi astah yesoepar lezikaron lah! Wayeelech echad misjneim
keasar hanikra Yehoedah isj-keriot el-rasjei hakohanim. Wayomer: mah-titnoe li weemsrenoe veyedchem
wayisjkeloe-lo sjlosjim kasef! Allemaal typische stukjes inlegkunde & betekenis op betekenis
gestapeld van begin tot einde om te verhullen
en zo ook te verduidelijken en dieper
te willen verklaren
...
ZECHARYA 11,
geschreven enkele honderden jaren daarvoor
zegt het als volgt
in een visioen v/d profeet:
Open je poorten, Levanon!
Vuur zal je ceders verteren!
Klaag, cipres, want gevallen is de ceder: de machtigen zijn geveld.
Huil, eiken van Basjan, want gevallen is het ondoordringbare woud.
Hoor de herders jammeren, want verwoest in hun lustoord. Hoor de leeuwen brullen,
want verwoest is de trots van
de Yardeen.
Dit heeft YHWH [de Eeuwige], mijn God, gezegd:
"Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn, Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten,
de verkopers danken de Eeuwige dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet.
Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen ~ spreekt de Eeuwige.
Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit;
ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp." Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde ...
Ik nam twee stokken ~ de ene noemde ik Vriedelijkheid en de andere Eenheid ~
en daarmee weidde ik 't vee.
In EEN maand ontdeed ik me van drie herders.
Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, en zei:
"Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden!" Toen nam ik mijn staf Vrien-delijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, & daarmee was het verbroken. De veehandelaars, die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de Eeuwige. Ik zei tegen hen:
"Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet laat het dan maar!" En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver.
Toen zei de Eeuwige tegen mij:
"Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij mij waard vinden!"
Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Yehoeda & Yisraeel te verbreken.
Toen zei de Eeuwige tegen mij:
"Rust je nogmaals toe als een herder, als een die niet deugt.
Ik zal immers in dit land 'n herder laten optreden die zich om het verdoolde schaap niet bekommert en het afgedwaalde niet zoekt, die het gekwetste niet geneest en het gezonde niet verzorgt,
maar die het vlees van de vette dieren opeet en afkluift tot op het bot!" Wee de nietsnut van een herder die de kudde in de steek laat! Moge het zwaard zijn rechterarm treffen en zijn rechtoog uitsteken. Moge zijn arm verschrompelen en het licht in zijn
ogen doven.
Het begint nu weer te regenen
en de hele lucht is grijs geworden.
Het ijs van de gletsjers smelt en de zeespiegel stijgt.
De grote en kleine rampen zullen alsmaar toenemen en iedereen zal weer radeloos worden van ellende, hopeloosheid en verdwazing. Men zal zich een toevlucht zoeken op de bergen en de bergen
zullen zich op hen storten. Vuur uit de hemel vernietigt alles wat leeft
en de wereld gaat weer een woestenij als vanouds worden
terwijl de vluchtelingen pogen om
een goed heenkomen te vinden
waar dan ook
...
