Anderzins
zoude het
konnen vremd schijnen,
dat hy Miryam weigert,
het geen hy aan de andere vrouwen vergunt,
en Mattheus
in 't vervolg
aantoont.
Maar
die menschlievende
Heiland weet ieder
naar zijnen nood te helpen, en beter,
wat wy van doen hebben. Hy komt niet voor
KAJAFAS,
noch den Joodschen
RAAD,
die hem zo tijgeraartig vervolgt, en gedood heeft. Hy verwaardigt den
LANDVOOGD
niet
met zijne verwonderenswaardige verschijning en tegenwoordigheid;
die had om de gunst der
JOODEN,
zijn eigen geweten verkracht, en 't heilig recht geschonden,
en zich dus 's Heilands gunst en genade onwaardig gemaakt. Hy vertoont zich niet aan
HERODES,
die hem zo smadelijk bespot,
en weggezonden had.
Maar de vrouwen, de geringe, verachte, verbaasde vrouwen, genieten dit geluk.
ZO wederstaat G d den hovaardigen, maar den nederigen doet hy genade.
ZO legt hy zijnen Euangeli-schat in aarde vaten: en als ware het gezicht niet genoeg,
om overtuigd te zijn,
spreekt JC haar aan, en dus toe:
weest gegroet!
'T is begrijplijk,
dat onze Heiland
zijne stem latende horen, niet alleen zijn gewoonlijk geluid,
maar ook de gemene groet der JOODEN zal gebruikt hebben, om des te beter erkent te worden.
Daar is iets wonderlijks in de toon- en stem-vallen,
waar door men de menschen van elkanderen,
zo wel, en dikwijls beter,
als door het uiterlijk gelaat
kan onderscheiden.
Men staat verbaasd,
dat aangezichten zo veel verschillen, en echter uit dezelve deelen bestaan;
maar wie vind niet ruim zo vremd, dat stemmen, die in bewegingen der lucht en luchtgolven bestaan,
zo zeer verschillen, dat men zonder iemant te zien, hem kennen,
en in 't midden van verscheiden onder-
kennen mag?
Dus hoorde YITSCHAK,
onderscheidentlijk, YA'AKOVS stem,
schoon hy de bedrieglijke handen van ESAV
voelde. Zo kende MIRYAM den Heiland aan zijne spraak,
schoon zy hem uit vooroordeel voor den Hovenier nam.
Maar zo kenlijk als 's Heilands stem was, zo krachtig was ook de groet:
CHAIRETE:
weest verheugd, gegroet,
waar voor de JOODEN doorgaans zeiden,
SCHALOOM,
vrede!
Die gemeene spreekwijze zal JC ook gebruikt hebben,
maar in uitmuntender zin en kracht, dan oit een JOOD konde doen.
Die mogt uit borgerlijke beleefdheid iemant vrede en blijdschap toewenschen;
maar JC brengt dien, en alle hemel-zegeningen aan, waarom hy tot de zijnen nadruklijk sprak:
MIJNEN VREDE GEVE IK U, NIET GELIJKERWIJS DE WEERELD DIEN GEEFT,
alleen met de lippen, of in Priesterzegening, maar in waarheid en werkdaadigheid, als de Vrede-vorst,
die G d verzoent, den middelmuur des afscheidsels afgebroken,
en de vyandschap
weg genomen
heb.
Ook namen de JOODEN
het woord vrede voor al,
wat goed, verkwiklijk, aangenaam, en wenschlijk was.
VREDE
is een kort begrip van alle vreugd.
VREDE
is een sprinkader van geluk en voorspoed.
VREDE
is het beste van alle dingen,
zelfs naar 't zeggen der Heidensche Dichteren.
Wat zouden zy gezegt hebben van den vrede des gemoeds,
die hunne verstanden verre te boven gaat, en CHRISTOS door zijn kruisbloed heeft aangebragt.
Dies hebben de Grieken niet onaartig, en meer naar kracht, als luid van 't woord
SCHALOOM,
dat vertaalt door
VERHEUGD, VOLVROLIJK, GEGROET
zijn. En waar is 'er vreugd en rust
buiten CHRISTUS?
Die roept allen, die
belast & beladen zijn, tot zich,
en belooft hen RUST voor hunne ZIELEN:
waar van d'aaloude Sjabbatrust maar een schaduw-voorbeeld was.
Hoe welvoeglijk spreekt die groote Vrede-vorst de vrouwen dan aan:
Sjaloom, vrede, blijdschap
en geen
vreeze
zy u.
DIT
was, en
moest voortaan de
werkinge van den kindergeest zijn,
vrede, blijdschap,
gerechtigheid!
Want
onder 't
Rijksbestier van Koning
Yehosjoea ontfangt men niet
wederom den geest der dienstbaarheid tot vreeze,
maar den geest der aanneminge tot kinderen,
door welken wy roepen:
ABBA! VADER!
DUS
waren nu de vrouwen
OOR- & OOG GETUIGEN
van 's Heilands opstanding.
Hoe zullen ook haare harten ontsteken zijn,
gelijk der EMMAUS-GANGEREN, terwijl hy tot haar sparak?
Want sprak hy wel eer, gedurende zijn leeraarampt, als magt hebbende,
en niet als alle andere menschen
of Joodsche Leer-
meesters?
HOE
zullen NU
zijne woorden geklemt hebben:
nu hy alle magt ontfangen had
in hemel en
op de aarde?