Al met al was Betjes huwelijk een al te filosofische stap om in de onfilosofische dagelijkse omgang niet tot bittere teleurstelling voor beide partijen te leiden: prikkelbare zelfstandigheidsdrang tegenover [oude bejaarde] bezadigde, zorgeloze & hunkerende behaagzucht tegenover al te begrijpelijke jaloezie voerden een lange en vooral van de kant van de jonge vrouw soms felle en weinig zachtzinnige strijd, tot ze in de laatste jaren van hun huwelijk toonden praktische ernst te kunnen maken met het door beiden zo vurig beleden evangelie der verdraagzaamheid in een verhouding van elkaar respecterende huisgenoten die niet meer dan vriendschap verbond, zoals Betje met grote openhartigheid in haar brieven vertelde: "En dewijl hij mij maar voor de Pronk houd, kan hij niet om mij verlegen zijn!" Een wezenlijk element in die verzoening heeft zeker de loyaliteit gevormd, waarmee ds. Wolff openlijk zijn vrouws partij koos tegen de kwaadaardige aanvallen die zij als schrijfster vooral van de kant der 'fijnen' te verduren kreeg. Want van het ogenblik af, dat zij in de Beemster haar intrede deed, stond het voor Betje vast, dat zij voor al wat ze menselijks moest ontberen vergoeding zou vinden in de ontwikkeling van haar talenten: een zolderkamer in de pastorie richtte zij dadelijk als haar 'celletje' in 'en ik schreef of 's Lands welvaart er van afhing'! Of zij inderdaad faute de mieux schrijfster is geworden, zoals ze ~ we haalden 't al eerder & vaker aan ~ later betoogd heeft? Een vraag, waarop niet meer dan een benaderend antwoord mogelijk is en dan nog slechts, wanneer we ons er rekenschap van geven wat voor Betje Wolff & haar tijdgenoten het begrip dichterschap beduidde: een liefhebberij, een edele liefhebberij, die waar ze zich een zedelijk en belerend doel stelde, veel nut kon stichten, maar die noodzakelijk moest worden achtergesteld bij de plichten die de redelijke mens zich als handwerker, koopman, staatsdienaar of huisvrouw zag opgelegd. En zien we, hoe gering het aantal vrouwen die zich met wetenschap & kunst bezighouden in de 18de eeuw nog is, dan is er meer reden de verklaring daarvan in deze verhouding van plicht tegenover liefhebberij te zoeken dan in een bijna geheel ontbreken van talenten onder de vrouwen. Voor Betje Wolff ~ het tegendeel zou een fenomeen geweest zijn voor haar tijd ~ lag roeping en bedrijf van de vrouw in gezin & huishouding & ze zag zich zelf dan ook allerminst als een feministisch voorbeeld, maar als een uitzondering: een kinderloze domineesvrouw, die er niet over dacht zich als een savante aan haar huiselijk en pastorale plichten te onttrekken, maar die genoeg organisatievermogen en tact bezat om daar in de kortst mogelijk tijd mee klaar te komen. Niemand kan zeggen of diezelfde talenten aan Betje Gargon-Bekker en eventueel zelfs aan de moeder van enige kleine Gargonnetjes niet de gelegenheid zouden hebben verschaft om af en toe nog eens een lief vers of geesteige karakterschets te schrijven, maar de hartstocht, de kribbige eerzucht en strijdvaar-digheid vooral, waarmee ze in de eerste decennien van haar schrijfstersloopbaan de pen voert, laten hier wel heel duidelijk zien in hoeverre hier de 'liefhebberij' de smartelijk gemiste 'plicht' moest goedmaken. Minder gedreven door de behoefte om iets te zeggen dan iets te zijn [het begaafde jonge vrouwtje van ds. Wolff inplaats van de gecensureerde Betje Bekker, die 'een yder met den vinger aenwijst' zoals broer Laurens hatelijk schreef] zal ze daarbij, gezien de geest der eeuw, voorlopig meer het grote voorbeeld dan de oorspronkelijkheid nastreven.