In feite bevinden we ons dus in principe, in de grond van de zaak, in 'n zelfde positie als toen? Aan de ene kant heb je de wereld met alles erop & eran, met al z'n reilen & zeilen, & aan de andere kant je geweten dat je zou kunnen vertellen wat te doen & te laten.
In dat spanningsveld zitten we allemaal! We bedienen ons in alle gevallen meestal [hoofdzakelijk] van symbolische taal om dat te [kunnen] verhelderen ... Of Yesjoe dan ook gezegt hebbe: Sjimon, de Satan heeft u lieden zeer begeert, om te ziften, als de tarwe; dan of hy zeide: gy zult allen aan my geergert worden, komt op een [& 't zelfde] uit; en schijnt ons liever tot opheldering, dan tegenstrijdig- of verscheidend-heid te dienen.
Als men dierhalven de drie Euangelisten onderschikt, en stelt, dat Yochanan een andre omstandigheid, als Matai, Markus, en Lucky Lukas verhale, zal men dit niet alleen tot den uitgang naar d' Olijfberg brengen, en het tijd-woordeken, TOTE, toen, hier ook recht vatten; maar zelfs de gantsche zaak dus in haar verband begrijpen konnen. JC zegt, dat zy allen aan hem zullen geergert worden, Piet antwoord daarop trots en stoutmoedig; al wierden zy allen aan jou geergert, IK zal nimmermeer geergert worden!
Yesjoea zegt, dat de Satan heeft gezocht Sjimon te ziften, en allen, als de tarwe,
Piet antwoord daar op: Heere, ik ben bereid met jou in de gevangenisse en dood te gaan.
Yesjoe, die hem beter kende, dan hy zich zelven, zegt: de haan zal niet kraien, eer jy my driemaal verlochent zult hebben, Piet wederom: al moest ik met jou sterven, ik zal je geenzins verlochenen!
Maar wat bekommeren wy ons met d' omstandigheid en woorden, als de voorzegginge zo klaar, als vervaarlijk is? Dat [andere] Jooden den Heiland verlochenen, en niet erkennen, is in te schikken, want die waren verblind, aan Tempel- & Wet-dienst verknocht, en op uiterlijkheden gezet: maar dat de Kruis-gezanten, die hem zo lang gehoort en gevolgt hadden, en oor- en oog-getuigen zijner heil-leer en wonder-werken waren geweest, zich aan hem zouden ergeren, daar zy tegen de ergernissen zo dikwijls gewapend waren, is een onbetwistbaar bewijs der menschlijke zwakheid, en hoe veel gemaklijker het zy [om] G d te dienen, den Heiland aan te kleven, en te belijden in voor- als tegen- spoed