Als het nu morgenstond geworden was,
hebben alle de Overpriesters en de Ouderlingen des volks,
t'zamen raad genomen tegen Yehosjoea, dat zy hem dooden zouden.
En hem gebonden hebbende, leiden zy hem wech,
en gaven hem over aan Pontius Pilatus
den Stadhouder.
Al met al
dus een samenballing in woorden & daden
in die tijd en plaats van de wijsheid der eeuwen & de toepassing ervan in ons eigen ozo korte leven
& bestaan hier op aarde in onze eigen omgeving. Gelukkig wie zorgt voor de armen;
ook in kwade dagen zal 'g d' hen uitkomst geven,
de heer zal hen beschermen en in leven houden,
men prijst hen gelukkig in het hele land.
"Lever hem niet uit aan zijn vijanden!"
Op zijn ziekbed zal g d de heer hen tot steun zijn.
"Hoe lang zij ook ziek liggen, jij keert hun lot ten goede!"
Ik zeg:
"Heer mijn g d, wees mij zondaar genadig, genees mij, ik heb tegen jou gezondigd!"
Mijn vijanden verwensen mij, ze zeggen:
"Wanneer sterft hij en verdwijnt zijn naam?"
Wie mij bezoekt, heeft mooie woorden, maar hun hart is vol kwade gedachten:
staan zij buiten, zij spreken ze uit. Wie mij haten hopen het ergste voor mij en fluisteren aan mijn bed tegen elkaar:
"'n Dodelijke kwaal heeft hem geveld, wie zo ziek ligt, die staat nooit meer op!"
Zelfs mijn beste vriend, op wie ik vertrouwde, die at van mijn brood, heeft zich tegen mij gekeerd.
Toon mij, heer, jouw genade en laat mij opstaan, dan zal ik hun geven wat ze verdienen.
Hieraan zal ik weten dat jij mij liefhebt: als mijn vijand niet langer juicht, als jij mij bijstaat, omdat ik onschuldig ben, en mij voorgoed laat wonen in jouw nabijheid. Geprezen zij de heer, de g d van Yisraeel, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Amen, amen.
Je kunt je indenken,
dat als dit soort van liedjes, spreuken en mydiverhalen 't hoofddeel uitmaken van je bestaan
in alles wat je ook maar kunt tegenkomen, omdat je van jongsaf aan al dit soort van gevoelens en gedachten hebt gekoesterd in de praktijk van je leven, dat er dan ook niets meer is
wat jou uit jouw baan kan slaan: je hemelse Vader/Moeder is de grond van je hele bestaan,
wie of wat zou dat uit je kunnen slaan & wie zou waarheid kunnen verslaan? In de hoogst beroerde bezettingsomstandigheden van toen & daar [huisuitzettingen, slavernij, werkloosheid, watergebrek &
hongersnood, ziekte, geweld], roept zo'n 'rechtvaardige gelovige' die leeft in de hope en dope van g ds komende hemelse rijk zijn g d nu dan ook telkens weer aan omdat hij niets anders heeft dan dat
om zich aan vast te kunnen houden?!
Red mij, g d, 't water staat aan mijn lippen, ik zink weg in bodemloos slijk & vind geen grond meer
voor mijn voeten, ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee. Zoiets getuigt van doodsangst, pijn & leed zonder einde die je mee lijkt te sleuren in reddeloze, redeloze rampspoed waar je nu helemaal niets meer aan kunt doen: dit is jouw einde van je leven op aarde,
het is met je gedaan & het feest is voorbij!
Uitgeput
ben ik van het roepen,
mijn keel is schor geschreeuwd,
mijn ogen zijn verzwakt van het uitzien naar mijn G d!
Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden,
met velen zijn nu mijn belagers, mijn vijanden die mij bedriegen:
teruggeven moet ik wat ik niet
heb geroofd?
G d,
jij kent
mijn lichtzinnig leven,
mijn schuld is jou niet ontgaan.
Laat ik niet beschamen wie naar jou uitzien,
heer, g d van de hemelse machten en krachten,
laat wie jou zoekt niet om mij te schande staan, G d van Yisraeel!
Om jou moet ik smaad verduren & bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben ook voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
De hartstocht voor jouw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie jou smaadt, is op mij neergekomen. Ik huide tranen toen ik vastte, maar verachting werd mijn deel! In de stadspoort wordt over mij gepraat, en de liedjes van drinkers die spotten met mij? En nu, heer, richt ik mijn gedachten & gebeden tot jou, laat dit een uur zijn van mededogen. Want groot is jouw ontferming, G d, antwoord mij, toon jouw trouw en red mij! Trek mij uit dit slijk voordat ik helemaal erin wegzink, laat mij als het nog mogelijk is ontkomen aan wie mij haten, haal mij uit dit diepe water. Laat de stroom mij niet meesleuren,
het slijk mij niet verzwelgen, de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten. Antwoord mij, heer,
want jij bent genadig en go{e}d, keer je tot mij, zie mij in erbarmen aan.
Verberg jouw gelaat niet langer voor jouw dienaar, antwoord mij snel,
want de angst benauwt mij. Wees mij nabij en bevrijd mij,
verlos mij van mijn vijanden. Jij kent mijn smaad,
mijn schande, mijn schaamte, al mijn belagers staan voor jou.
Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos,
ik hoopte op mededogen ~ vergeefs;
op troost ~ die ik
niet vond!
Nee,
ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn!
Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden.
Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht! Stort over hen jouw toorn uit,
laat hen aan jouw woede niet ontkomen. Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner. Want zij vervolgen wie jij hebt geslagen, en wegen het leed
van wie door jou is verwond. Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van jouw genade,
schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.
Ik ben verzwakt, ik ben verwond, maar jouw hulp, o G d, zal mij beschermen.
De naam van G d wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang nu ook prijzen.
Dat behaagt de heer meer dan offerdieren,
dan stieren met hun horens
en hoeven
...
De nederigen
zien het en verheugen zich,
wie G d zoeken, hun hart zal opleven.
Want de heer hoort de armen, zijn gevangen volk verwerpt hij niet. Hemel en aarde moeten hem loven, de zeeen, met alles wat daarin leeft! Want G d zal Tsion redden en de steden van Yehoedah herbouwen. Daar zal worden geleefd en nagelaten, het volk dat hem dient, zal het land bezitten,
wie zijn naam liefheeft,
mag er wonen
...
Heftig?
Ja,
dat zou
je wel kunnen
zeggen!
Maar
daarom nog
niet minder
waar
...