Mensen maken goden & omgekeerd!
Simpel toch:
mensen 'maken' goden
om 'via' hen hun eigen problemen
beter te kunnen
oplossen ...?!
In
het Deut~
eronomistisch geschiedwerk
blijft G*D een personage op het toneel dat een tekst uitspreekt en
handelingen verricht,
maar er zijn ook complete scenes waarin hij uit het zicht en,
tijdelijk,
uit de gedachten is.
Dit
geldt met name
voor het uitzonderlijk dramatische verhaal
dat loopt van 1 SAM 8 tot en met 2 SAM 1.
Deze hoofdstukken verhalen over de machtsstrijd tussen
SJa'oel en Davied,
respectievelijk de eerste en de tweede koning van Israel,
waarin Yehonathan, Sja'oels zoon en Davieds geliefde vriend,
een cruciale rol speelt.
De gunst van de Heer,
onttrokken aan Sja'oel en
geschonken aan Davied,
beide keren door tussenkomst van SJMoe'eL,
bepaalt uiteindelijk de uitkomst;
maar tot aan Davieds klaaglied over de dood van Sja'oel en Yehonathan
in 2 Sam 1 berust een groot deel van de actie
en zelfs van het bijbehorende commentaar
bij de acteurs zelf.
De Bijbel kent
strikt genomen geen tragedies,
geen ongelukken die onafwendbaar maar onschuldig
door menselijke tekortkomingen en door de onbedoeld wrede gang van
zaken plaatsvinden;
er ligt altijd een boze goddelijke interventie
aan ten grondslag.
Er is met andere woorden
niets in de Bijbel wat 'gewoon gebeurt'.
Maar het verhaal over Sja'oel
benadert dat wel?!
Sja'oels neergang zet in
als hij de gezworen straf van de Heer niet juist uitvoert.
In Exodus 17:14, vele jaren voor de geboorte van Sja'oel,
zei de Heer tegen Moshe, in een passage die we al eerder
geciteerd hebben:
'Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en lees het Yosjoea voor:
"IK zal de herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen."'
De herinnering uitwissen betekent,
zoals we bij die eerste vermelding opmerkten, uitroeiing!
In 1 Sam 15 is het de taak van Sja'oel om die bloedige wraak van de Heer
alsnog uit te voeren.
De Heer waarschuwt hem om geen genade te kennen:
"IK ga rekenschap vragen voor wat Amalek Israel heeft aangedaan,
voor de aanval die hij op hen deed op de weg, onderweg vanuit Egypte.
Ga nu heen, val Amalek aan, verban al wat hij bezit.
Spaar niemand, dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap,
kameel en ezel! {15:2-3}
Maar als het dan zover is,
raadt Sja'oel de Kenieten, een stam die bij de Amalakieten woont, aan
om te vluchten:
"Vooruit, onttrek u aan de Amalakieten, opdat ik u niet samen met hen
uitroei; want u hebt immers een gunst bewezen aan alle Israelieten,
toen zij Egypte verlieten?!" {15:6}.
Dat klopt: Moshe's vrouw en schoonvader waren Kenieten en de stam heeft de Israelieten inderdaad geholpen.
Maar genade voor de Kenitische zuigelingen behoorde niet tot de opdracht van de Heer aan Sja'oel.
Erger nog,
Sja'oel neemt de Amalekitische koning gevangen
inplaats van hem te doden en,
het allerergste,
hij neemt de beste schapen en runderen als buit mee
in plaats van ze te vernietigen.
Daarom keert de Heer,
tot groot verdriet van SJMoe'eL, zich tegen Sja'oel.
Sja'oel is niet onschuldig,
maar de onevenredigheid tussen zijn zonde en zijn lijden is zo extreem
dat hij iets van de pathos van een held uit een Griekse tragedie krijgt,
en zijn neergang veroorzaakt bij de lezer of toehoorder iets wat lijkt
op de catharsis van een Griekse tragedie.
Evenzeer benadert Gods vernietigende kracht,
die zo subtiel verbonden is met ethische overwegingen,
het blinde, autonome karakter van
het Griekse ananke ...
Zoals al eerder gezegd,
onderneemt G*D in de Bijbel niets wat niet te maken heeft met de mens,
maar het omgekeerde geldt niet:
sommige menselijke daden hebben niet constant met G*D te maken.
Davieds weergaloze klaaglied voor Sja'oel en Yehonathan
is daar een goed voorbeeld van;
het eindigt in 2 Sam 1:25-27
aldus:
- Hoe zijn de machtigen gevallen in het heetst van de strijd -
Jonatan ligt verslagen op uw hoogten!
Ik treur om u,
mijn broeder Jonatan,
u was mij zeer lief;
uw liefde was wonderlijk voor mij
meer dan liefde van vrouwen.
Hoe zijn de machtigen gevallen,
de krijgswapenen verlorengegaan! -
Sja'oel kan gevallen zijn omdat de Heer zich tegen hem keerde,
maar dat
spreekt niet uit Davieds klaaglied; in tien verzen noemt hij God
niet EEN keer!
Natuurlijk kan Davied goede redenen gehad hebben
om God niet te noemen in zijn klaagzang, op grond van tact, kunst EN religie?
Als hij hoort dat Sja'oel en Yehonathan dood zijn,
vecht hij tenslotte
TEGEN God doordat hij aan de kant van de Filistijnen
tegen Israel vecht?!
Davied was jarenlang de leider van een groep bandieten
die trouw was aan de Filistijn Akis van Gat,
die zich verwonderde over de bruutheid van Davieds aanvallen
tegen zijn eigen volk
{het was de gewoonte van Davied om alle inwoners van een stad
die hij overwonnen had uit te roeien!} ...
Koning Akis van Gat had vertrouwen in Davieds trouw
omdat hij betwijfelde of zo'n verrader
kon terugkeren naar zijn eigen volk,
als hij dat al wilde?!
Daarin vergiste Akis zich,
maar het verhaal over Davieds opkomst zit vol met incidenten
die de regel dat dieven van elkaar stelen,
schijnen te bevestigen?!
De Heer speelt inderdaad een rol in het verhaal over die incidenten,
al is het er slechts een van raadgever.
Davied schijnt, wat zijn fouten ook mogen zijn,
een echte jahwist te zijn geweest,
niet verleid door ba'alisme,
en hij gebruikt profetieen en het werk van een priester van Jahweh
voor al zijn belangrijke ondernemingen.
De rol van adviseur is echter geringer dan alle eerdere rollen van de Heer,
en ook kleiner dan de rollen die hij hierna zal spelen
in de boeken SJMoe'eL en Koningen ...
Dit Deuteronomistische geschiedswerk
staat als een soort middelpunt tussen enerzijds
de mythe en legende van Genesis,
waarin G*D volledig
overheerst,
en anderzijds de latere Hebreeuwse vertellingen
als Ezra & Esther ...
Van de laatste twee
kan alleen Ezra als 'geschiedenis' worden beschouwd,
maar in beide is G*D meer aanwezig als het voorwerp van geloof
dan als een doelbewust gekozen
onderwerp.
Maar het verhaal van de verovering tot de verbanning -
zelfs inclusief het verhaal over Sja'oel en Davied -
onderscheidt zich door de betrekkelijk zakelijke manier
waarop het God introduceert in een verhaal dat
echte geschiedenis combineert met
mythe en legende.
In het Deut geschiedwerk wordt God een historische figuur
en omgekeerd
krijgt de geschiedenis daarmee de status
van een mythe .......
Gaandeweg krijgen volksverhalen
die in deze mengelmoes zijn opgenomen,
pure verzinsels
die duidelijk zijn opgetekend wegens hun
amusementswaarde,
een mengsel van mythisch en
historisch gewicht ...
De discussie over de vraag of dit verhaal
OF echte geschiedenis is
OF echte mythe
OF echte fictie,
is zinloos
...
Het is werkelijk een mengsel van alledrie!Die v
ermenging is precies
wat het als literatuur
zo uitzonderlijk
maakt?[
/b]


Asih, man, 81 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende