Aldus
bevat dit ene woord
'n kort begrip van "G dvrucht"
& 'deugde-plichten', en
gantsche weder-
geboorte.
Hier by komt de [z.g.]
VERGEVINGE DER ZONDEN
van Jooden en Heidenen, zonder onderscheid,
zo veel als 'er bekeerd, en tot
"G d"
wedergekeerd zijn. En wel ligt word daarom van
ZONDEN
in 't meervoud gesproken, daar anders alleen van
ZONDE
word gewaagt, om te tonen, dat een Jood niet heiliger is voor
"G d",
dan een Heiden, en dat alle wet- & Tempel-diensten noit de zonden wegnamen.
Gelijk allen van
"G d"
waren afgweken, waren allen
[ook]
even
'verdoemlijk voor g d';
en de Jood dies te verantwoordlijker, als hy grootere voorrechten en weldaaden ontfangen had.
Hoe zouden afwijkelingen, en
wederspannigen zich tot den
"levenden G d"
keeren, van wien zy afgeweken, tegen wien zy wederspannig waren, indien 'er geene vergevinge te wachte ware?
Maar wie zoud die wachten, indien
"G d zelf"
uit grondlooze menschlievendheid, die niet deed verkondigen
& aanbieden? En hoe zoud G d die laten aanbieden,
indien Mosjiach/Christos niet gestorven,
en door zijn
"G dverzoenend offerwerk",
de zonden
niet uitgewischt,
de waare gerechtigheid niet aangebragt,
en de
MIDDELMUUR
des afscheidsels
niet afgebroken
ware?
Dies
moet de
VERGEVINGE DER ZONDEN,
hier in volle kracht genomen worden,
en zo als die eigen is aan den nieuwen dag,
wanneer de tempel- en offer-dienst zoud ophouden,
om dat in 't kruisbloed van Yesjoe, de ware vergeving,
en eeuwige gerechtigheid
was aangebragt!
Alle
de jaar-
en daaglijks hernieuwde
offerhanden der wet konden de zonde niet
WEGNEMEN,
en waren een
HANDSCHRIFT,
dat den offeraar tegen was,
in zo verre als die de zonden
vertoonden, gedachten,
verweten.
Maar in
de blijmaar der verzoening
komt JC voor, als volkomen Zaligmaker, die voldaan,
het handschrift verbroken, en de zonde weggedragen heeft;
daar zulks gepredikt, en aangeboden word, moet de wet-dienst verdwijnen,
en niet van nooden, ja, ziel-verderflijk zijn: om dat zy, die in deezen dag der zaligheid,
den
TAVERNAKEL
nog dienen, en wetplichten aankleven, recht noch magt hebben, om van Yesjoea den geestlijken, en eenigen brand- en zoen-altaar, te eten, en op 't offer van
den waaren Hoogenpriester, met
G d hun verbond
te maken.
Daar zulk
eene volkomene VERGEVINGE is,
daar is geen
OFFERANDE
meer voor de zonde.
Daar is G d op gelijke wijze een G d
der Heidenen en der Jooden.
Begrijpt dit,
ROOMSCHGEZINDEN,
en verwerpt uwe zo genaamde offeranden,
die het eenig offer van Yehosjoea zo honen, en vernietigen.
Buiten Mosjiach/Christos is geen offer, buiten de Verlosser/Bevrijder
is geen verzoening, geen vergeving,
geen vrede met G d.
Met recht
zal dan ook die vergevinge
in den [betekenisvolle!]
NAAM
van
"JC"
aangeboden,
en de waare bekeering in dien volheerlijken naam gepredikt worden:
DAAR IS GEEN ANDRE NAAM ONDER DEN HEMEL GEGEVEN ONDER DE MENSCHEN,
DOOR WELKEN WY KONNEN ZALIG WORDEN:
want G ds NAAM, G ds deugd, G ds volmaaktheid,
IS IN "T BINNENSTE
van hem,
als dien grooten bond Engel,
die nu door zijne volmaakte gehoorzaamheid,
eenen naam verkregen heeft
boven alle
naamen.
IN
PRINCIPE EENVOUDIGER
DAN HET EI
VAN COLUMBUS:
maar
zonder vertaling
helaas meestal volkomen
onbegrijplijk voor
de meeste
mensen
...

