DE DHARMA WORDT IN DE VROEGSTE OEPANISJADEN NOG BESCHOUWD ALS EEN GEHEEL VAN UNIVERSELE PRINCIPES, MAAR VOEGT ZICH AL SNEL NAAR DE INDELING VAN DE ARISCHE MAATSCHAPPIJ IN DRIE GROTE KLASSEN:
de brahmanen of priesters, belast met het heilige;
de ksjatriya's of strijders; & de vaisjya's, de boeren en de producenten van rijkdom.
Daaraan worden nog de sjoedra's toegevoegd, de dienaren, die van het systeem zijn uitgesloten.
Onder impuls van de brahmanen, die dan het Oepanisjadisch Corpus hebben overgenomen, veranderen deze klassen in vier grote groepen, VARNA's, die hiërarchisch zijn ingedeeld afhankelijk van de verwantschap met 'het heilige'.
Die VARNA's zijn weer onderverdeeld in honderden ondergroepen, JATIS, een woord gevormd vanuit de wortel 'geboorte', die de eigenlijke kasten aanduiden.
De wet van wedergeboorten
wordt in samenhang met deze indeling herzien:
de brahmanen stellen dat iedereen wordt geboren in de ene of andere kaste,
afhankelijk van het gewicht van zijn karma, en in de loop van dit leven niet aan deze lotsbestemming ontkomen kan
~ elk individu wordt, afhankelijk van zijn of haar kaste, sekse, leeftijd e.d., 'n bepaald dharma toegekend,
de SVADHARMA, een geheel van plichten (& rechten)
waarnaar hij/zij/het zich moet (blijven?) schikken
om zich verdienstelijk te kunnen
maken met het oog
op een volgende
wedergeboorte.