IS,
IN ZIJN
INSTEEK, BIJZONDER STRENG
VOOR DE VEDISCHE LEER: DEZE OEPANISJAD
VERTELT NAMELIJK HET VERHAAL VAN EEN JONGEN
DIE VAN HUIS IS WEGGEGAAN OM TWAALF JAAR LANG DOOR BRAHMANEN
TE WORDEN OPGELEID, EN TERUGKOMT BIJ ZIJN VADER, DIE ACHTER DE NIEUW UPANISHADISCHE IDEEËN STAAT;
de vader stelt zijn zoon een paar vragen; deze is niet in staat er antwoord op te geven. De vader geeft hem een paar aanwijzingen & opgetogen vraagt zijn zoon hem les te geven: "Van alle dingen was in het begin, alleen en zonder gelijke, niets anders dan het zijn" (VI, 2, 1), onthult zijn vader. Daarna ontspint hij de draad van wat later het gemeenschappelijk kader v/d verschillende scholen zal worden die onder het hindoeïsme vallen ~ een term die pas laat werd 'bedacht' door degenen die deze geloofsbasis aan-hingen, om zich v/d anderen duidelijker te kunnen onderscheiden:
in eerste instantie van moslims,
daarna v/d christelijke
kolonisator!
De oudste Oepanisjaden
zijn vrijwel uitsluitend gewijd aan de beschrijving
van de hoogste werkelijkheid, het zg. BRAHMAN (niet te ver-
warren met de brahmanen, de priesters die de hoogste kaste uit het hindoeïsme vormen)
& het ATMAN: het vedische BRAHMAN is de almachtige toverformule; het hindoeïstische BRAHMAN, het 'absolute',
kan worden gedefinieerd als een soort universele ziel, een groot AL of een groot ZELF, een ultieme kosmische essentie,
die in elk wezen & ieder ding huist, maar boven de wezens & de dingen. Het is god noch mens, kan dus niet
worden bemind en vereerd ~ behalve in de vorm van de godheden die eruit voortvloeien:
"HET IS ONBEVLEKT, KENT GEEN OUDERDOM, DOOD, SMART, HONGER, DORST,"
zo stelt de Chandogya Upanishad
(VIII, I, 5).
Het is de stille onderlaag
van alle levende wezens,
die overal aanwezig,
maar ongrijpbaar is
~~~
{wvv}
tot straks
later
~~~