lazarus aan avrahams borst & de rijke man in helll
Kortom: die hel van Matai 5 & 23 staat i/h kader v/d anti-farizese polemiek van na het einde van de Opstand & kan dus niet als historisch beschouwd worden: Matai heeft Yehosjoea's kritiek op de schriftgeleerden sterk aangezet & voor dat doel gebruikte hij ook de dreiging v/d hel!
De vraag is blijven liggen of 'n onderzoek naar 't gebruik v/h woordje gehenna representatief is voor alles wat de evangelies over G ds ultieme oordeel zeggen: 'n onderzoek van verwante termen leidt inderdaad tot dezelfde resultaten. Het woordje 'vuur', in de eschatologische betekenis v/h vuur v/h oordeel & 't hellevuur, komen we bij Mat elf keer tegen, waarvan driemaal i/d mond van Yochanan de Doper & acht keer gelegd in de mond van Yesjoea. Lucas heeft als parallellen daarvan alleen maar de woorden van Yoh de Doper. Marcus heeft 't woord in eschatologische zin ook driemaal & wel in perikoop 9:43-49: dus die woorden heeft Mat overgenomen in 18:8-9. Mat is de enige evangelist die spreekt over 'n 'oven van vuur' in Matai 13:42, 50. De conclusie is ook hier dat Mat de notie van 't oordeel & 't hellevuur 't sterkst aanzet! Datzelfde kunnen we zeggen over de uitdrukking 'de buitenste duisternis' met het 'geween & tandenknars' wat weer typisch idioom is van Matai: de 'buitenste duisternis' vinden we alleen bij hem [8:12; 22:13; 25:30; vgl. 13:42]! De uitdrukking 'het geween & 't tandengeknars' vinden we zes keer bij Mat & eenmaal bij Lucas [13:28]! Marcus heeft dit idioom niet wat betekent dat 't wel uit de gemeenschappelijke bron Q van Mat & Luke zal komen, maar dat Mat 't veel meer accent geeft dan Luke?!
EEN mydibijbelverhaaltje uit 't evangelie van Lucas vraagt nog even onze aandacht: de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus [16:19-31]!
De rijke man slaat na zijn dood de ogen op in de pijnigingen van 't dodenrijk: er is sprake v/d vlam die de ongelukkige kwelt & v/d dorst die daarvan 't gevolg is.
HIER wordt in vers 23 niet het woordje gehenna gebruikt, maar hades {dodenrijk}, dat in het algemeen een wat minder pregnante betekenis heeft, maar hier als 'n synoniem van gehenna kan worden beschouwd.
ZO'N soort van mydibijbelverhaaltje wil vanzelfsprekend, gezien het genre v/d gelijkenis, natuurlijk geen nader info verstrekken over 't hiernamaals [indien aanwezig]. Niettemin geeft het wel, juist in dit onnadrukkelijk gebruik v/d voorstellingen, best wel goed weer hoe er dus in Yehosjoea's tijd over een eventueel leven na dit leven werd gedacht & hoe Yesjoea daar zelf ook over heeft gedacht in grote lijnen dan zo ongeveer: deze voorstellingen zijn in overeenstemming met wat we verder ook in buitenbijbelse geschriften her en der kunnen tegenkomen ~ er is na dit leven sprake van beloning & straf, hemel & hel & daar moet 'n mens ook dus in dit leven al rekening mee houden! isj asjir hayah wehoe lavoesj argaman wasjesj wayitageg wayismach yom yom
Er was eens 'n rijke man die gewoon was om zich te kleden in lange purperen gewaden & heel fijn linnen & die dagelijks ook nog eens uitbundig feestvierde. Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren: hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van die rijke man; maar er kwamen alleen nog maar wat zwerfhonden langslopen, die zo nu en dan het pus uit z'n zweren likten. Op zekere dag stierf de bedelaar, & hij werd door de engelen weggedragen om aan Avrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd met veel pracht & praal begraven. Toen hij in het dodenrijk {!}, waar hij hevig gekweld werd, z'n ogen wederom opsloeg, zag hij in de verte Avraham met Lazarus aan zijn zijde.
Hij riep: "Vader Avraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen!"
Maar Avraham zei: "Kind, bedenk wel dat jij jouw deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. En bovendien ligt er nu ook nog eens een onoverbrugbaar diepe wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat helemaal niet meer kan, en ook niemand van jullie naar ons nog kan oversteken!"
Toen zei de rijke man: "Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet allemaal net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen!"
Avraham zei: "Ze hebben Mosjeh & de profeten: laten ze naar hen luisteren!"
De rijke man zei: "Nee, vader Avraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen!" Maar Avraham zei: "Als ze niet naar Mosjeh & de profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat!"