Krachtiger
prikkel konnen
wy daar toe niet gebruiken,
dan het graf van Yehoesjoea onophoudlijk
voor oogen te houden; en geestlijker wijze te doen,
het geen de Jooden in arren moede, en uit bitteren haat deeden.
Laat ons den Heiland in onze harten
begraven, & daar in sluiten,
dat niemant hem
daar uit
rove.
Laat ons
hem als een zegel,
met de bruid-kerke, op onze zielen,
en als een zegel op onzen arm zetten,
om hem dus onophoudlijk voor
oogen te
houden.
Beter
als de Jooden
hunnen wet-deelen,
die in de gedenk-cedelen geschreven,
& op den arm gebonden wierden. In dat graf zien wy onze zonden begraven.
In dat graf zien wy onze overtredingen besloten: in dat graf zien wy onze ongerechtigheid verzegeld: WELGELUKZALIG IS HY, WIENS OVERTREDINGEN VERGEVEN, WIENS ZONDE BEDEKT IS!
WELGELUKZALIG IS DE MENSCH, DIEN
DE HEERE D'ONGERECHTIGHEID
NIET TOE REKENT, EN
IN WIENS GEEST
GEEN BEDROG
IS.
WIEN,
en wat zoud ons dan aangenaamer zijn, als deeze begraaven Yesjoea?
Een ander, die van het blind bijgeloof word voortgedreven, begeve zich naar 't heilig graf,
gelijk zy dat noemen, en verwachte van zulk een gezicht,
ik weet niet wat gewaande bekeering-kracht,
en grooter heiligheid.
Laat ons
den Heiland een heiliger en betaamlijker graf oprechten,
en daar toe de rotzen onzer harten doorgraven door berouw en boetvaardigheid,
op dat hy daar in een nieuwe rust- en verblijf-plaats vinde, die rein en niet besmet zy
door vuile stinkende doosbeenderen van booze werken des vleesches,
wellustige begeerlijkheden, snoode gedachten, verfoeilijke
bedoelingen, en alle
G dloosheid.
Zo
moet men
zich toebereiden tot
een opstanding uit den dood der zonden:
zo moet men zich vervaardigen tot den grooten dag,
als de graaven geopend, en de dooden
opgewekt zullen worden.
Schrikt dan niet,
Gelovigen, voor dood en graf:
Christos heeft het handschrift, dat ons tegen was,
gescheurt aan 't kruis-
en vloek hout.
Christus heeft
onze graven geheiligt,
als hy in 't graf is nedergedaalt. JC heeft onze rust verzegelt,
als zijne grafstede is verzegelt, als zijn grafstede is verzegeld geweest,
en hy daar zeker en gerust
in gewoont heeft.
'T is waar,
hy heeft daar in de verrottinge niet gezien,
en wy keren weder tot stof en assche, en verrotten in 't graf:
maar dit zelfs is ons tot troost, en onderpand van onze zalige opstanding.
Zoud hy, die magtig is geweest zijn licchaam te beschermen tegen de verrottinge,
en weder op te wekken ten derden dage, niet magtig zijn
onze sterflijke en verrotte licchaamen
weder te hernieuwen, en
zijn verheerlijkt licchaam
gelijkvormig te
maken?
Zegepralende
gaat IOV/JOB
ons hier in voor:
IK WEET, zegt die lijdzaame en rechtgelovige man,
IK WEET, DAT MIJN VERLOSSER, mijn 'Goeel of bloedwreker',
LEEFT, en dat HY ZAL DE LAATSTE OVER HET STOF OPSTAAN, EN ALS ZY, de wormen,
NA MIJNE HUID, DIT DOORKNAAGT ZULLEN HEBBEN,
ZAL IK 'UIT MIJN VLEESCHE
G D AANSCHOUWEN'.
Dus
zal ieder
Gelovige gerust ontslapen,
en op zijn doodbed zeggen:
IK ZAL JOUW AANGEZICHT, o mijn G d,
IN GERECHTIGHEID AANSCHOUWEN, IK ZAL
VERZADIGD WORDEN
MET JOUW BEELD,
ALS IK ZAL
ONTWAKEN.
Amen,
ja Amen
...
