't Woordje "God" is, bijvoorbeeld, niet als bijvoeglijk naamwoord te gebruiken, dus God in de zin van goddelijk. Dat hoor je de banketbakker in de Soete Suykerbol zeggen van zijn roomsoezen, maar in het christelijk geloof is God een subject, een min of meer persoonachtig wezen. Door de eeuwen heen is dat subject meer en meer verfijnd onder woorden gebracht, om tenslotte vastgelegd te worden ('aen de ketting'

in confessies en theologische traktaten als het 'enig en eenvoudig geestelijk wezen' van artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB uit het jaar 1561) ...
't Is niet verboden of misplaatst om 't woordje "God" ook in een totaal andere betekenis te gebruiken: wie zou je dat tegenwoordig trouwens nog kunnen verbieden? Maar als met 'god bestaat' de God van het christelijk geloof wordt bedoeld, dan is God niet een bijvoeglijk naamwoord. In de tekst "God is liefde" is God taalkundig subject, en volgens het christelijk geloof kun je die regel niet omdraaien en er 'liefde is god' van maken ...
De volgende vraag is die waarover HK 't hier graag wil hebben. Wat bedoelen we nu eigenlijk met 'bestaan', want zonder nadere omschrijving daarvan gaan we alsnog met z'n alle vakkundig de mist in, lopen op de klippen of op 'n zandstrand en zijn we straks helemaal nergens meer ...
Bestaan zeg je van een paard of van de planeet Mercurius. Maar lang niet alles bestaat op dezelfde manier. Een planeet bestaat anders dan een vogel, en een mens weer heel anders dan een bloem. Alleen in de dichtkunst kunnen we alles met alles vergelijken dat het een lieve lust is ...
Alles wat bestaat, bestaat op een eigen manier, en die eigen manier uit zich erin dat de dingen die we zo kunnen opnoemen zich elk voor zich verschillend aandienen, wat van zich laten merken. Wat ze delen, al die (bij)verschijnselen, is dat ze er zijn, maar qua wijze van zijn verschillen ze van elk ander. Dit maakt bestaan tot een ietwat hachelijke omschrijving als het om God gaat (ik schrijf daarom dan ook liever "G d"/'g d'

!!
G d is van totaal andere 'makelij' dan een planeet of een steen, & daarom dan ook beslist geen paard bij de haard of 'n kip zonder kop of zoiets.
Vergeet iemand dat verschil, en bedoelt hij net bestaan dat God er wel op dezelfde manier is als een bloem of een rots, dan past bestaan niet op God: "God bestaat niet" is in dat geval correct. Mocht hier het hele probleem liggen over Gods bestaan, dan is 't dus opgelost. G d bestaat, maar
(heel) anders dan al het andere dat bestaat. Het verschil in zijnswijze is intussen zo groot, dat je wellicht tot de slotsom zou kunnen komen: dit bestaan is helemaal niet van toepassing op G d! De formule van Manenschijn past dan nog beter: "G d is zo groot dat hij niet hoeft te bestaan"!
Maar nu nog eventjes afgezien van deze speciale uitspraak (de bijbelboeken staan er als het ware bij wijze van spreken en schrijven vol mee): als bestaan niet van toepassing is op G d, vanwege de oneindige afstand tussen G d & 'zijn schepsel' (dat 'hem/haar/het' a.h.w. 'ontdekte'

, tussen de veronderstelde 'Maker' & z'n "maaksel", dan staan we wel voor 'n probleem(pje)? Bestaam is een term die noodzakelijkerwijze thuishoort in 't denkraam, waarin van een kennend subject (de mens) tegenover een te kennen object sprake is, je kunt immers niet kennen wat je niet tegen-komt. De vraag is nu: past 'g d' wel in zo'n schema, is "Hij" object van ons, dan is Hij, als een bekende, ingekaderd in Een denkraam, en dan is hij geen 'g d' meer. Past hij er niet in, dan is het met het kennen van Gof afgelopen, hij komt in omze schema's niet voor. Hoe nu dan verder?
Is er wel 'kennis van g d' mogelijk? Als men vroeger misschien nog wel eens dacht dat 'dat alles' vastlag in bijbelteksten en allerlei andere heilige schriften dan rest ons nu niet veel anders dan vast te stellen dat mensen oneindig veel beelden van goden & godinnen hebben geschapen ........