Kern der myDiZaak: inzicht, overgave, verzoeningen


Mat Gargon
vaart voort in
woorden & beelden van
300 jaar geleden over 1700
jaar daarvoor, & zet je aan 't denken
over toen, nu & straks: dat soort onderwerpen
zijn van alle tijden, plaatsen & mensen zoals wij, alles
wat {on}menselijk is kun je erin terug herkennen, al naar believen
steeds verder nader uitpluizen
of volkomen langs je heen
laten gaan?!




Hoe schriklijk
de verbeeldinge dan wezen mag,
dat JC bebloed, doornageld, doorsteken worde afgenomen,
de gelovige ziel vind niets zo begeerlijk:
en wat zoud ons
afschrikken?

Zijne wonden? Maar die zijn onze genezinge!

Zijne gapende zijde? Maar die opent de fonteine des heils!

Zijn dood? maar die is ons leven!

Was dan oit al, wat aan Yehosjoea is,
gantsch begeerlijk?

Zo is 't nu,
in deeze zijne allerdiepste vernedering en vernieting.

Want krachtiger bewees hy noit zijne gadelooze liefde voor zijn volk.

En hoe kan men
iemant liever hebben, dan zijn leven voor hem te stellen,
en zo smertlijken en smaadlijken dood te lijden,
om de zijnen van den dood
te verlossen?

Men leest
van zekere Veldheers vrouwe,
die in handen van den vyand gevallen
en gevankelijk weggevoerd was.

De man,
die haar tederhartig beminde,
bood zich zelven aan om voor haar te sterven,
mits, dat zy in vrijheid zoude gestelt worden. De Vorst, die haar gevangen hield,
over zo ongehoorde liefde verwonderd, laat zich die blakende aanbieding welgevallen,
en de Veldheer tot zich komen, onthaalt hem in tegenwoordigheid der vrouwe zeer prachtig & kostelijk;
onder andere tafel-reden vraagt hy de vrouwe, of zy de groote heerlijkheid
en rijkdommen wel gezien had
van zijn hof en disch?

Maar zy antwoorde edelmoedig,
ik heb o Vorst, mijne gedachten enoogen niet konnen aftrekken van mijne Heer,
die zich zo trouwhartig aanbied
voor my te sterven.

Maar wat zullen wy
in 't hart en oog hebben, dan Yesjoea? die zich niet alleen aangeboden heeft
voor ons te sterven, maar ook de smadelijksten en smertlijksten dood gestorven is,
niet, toen wy hem lief hadden, maar zijne
geslagene vyanden waren.

Zoeter gezichte
kan 'er niet zijn voor eene gelovige ziel, dan Yesjoea:
maar Yesjoe gekruist voor de zonde, overgegeven voor de schulden der Gelovigen,
een slachtoffer om verzoening
te vinden.

Laat een Roomsgezinde
het kruishout omhelzen, en LIGNUM SALUTARE, 't heil-hout, noemen:
laat hem de bedloede speer met een feestdag vereeren, en met deze woorden begroeten:
O ZEEGHAFTIG YZERPUNT! DIE ONS 'T HEMELLEVEN GUNT.
SPEER, DIE 'S LEVEN BORST DOORBEERT,
WAT BRENGT GY HEILVRUCHTEN VOORT!

Wy eeren den Gekruisten, niet het kruis.

Wy roemen op zijn bloed, niet op de bebloede speer.

Geen yzer, geen hout, maar het bloed van JC den Zoone G ds reinigt ons van alle zonden.

Laat TURIN stoffen
op den lijnwaat-doek, waar in JC is omwonden geweest;
laat BEZANZON den zweet- of hoofd-doek, en 's heilands gedaante in den zelven, vertonen:
wy gunnen verdichtsel-beminnaars zich hier in te vermaken, maar zoeken vaster en volzekerder vreugde
in Yehoesjoea zelven, die ons zo
uitnemend heeft lief gehad.

Wat zaagt gy,
menschlievende Yesjoea, wat zaagt gy toch in ons,
dat gy uw leven voor ons
gegeven hebt?

Wy waren kinderen des toorns,
gelijk anderen, en gy verkiest ons
voor anderen.

Wy lagen
als onreine verworplingen in onz bloed op 't vlakke veld, en gy slaat uwe oogen op ons,
en reinigt ons door uw bloed
en geest.

Wy waren Heidenen,
vervremd van Yisraeels borgerschap, en vremdlingen der verbonden,
en gy brengt ons naby, gy maakt ons bondgenooten G ds,
gy stelt uw leven
voor ons.

Daar gy rijk waart,
zijt gy om onzen 't wille arm geworden, en hebt graf noch plaats,
daar gy rusten kunt.

Wie zoud
met Yoseef en Nikodemus,
zo gadelooze liefde niet met wederliefde
beantwoorden?

Wie van zijn overvloed
niet iets mededeelen, om den behoeftigen,
die Yesjoea in zijne plaats heeft nagelaten, onderstand te doen,
en uit nood te helpen?

Wie schrikt voor het graf, nu Yesjoe daar in nederdaalt, en dat heiligt?

Wie schroomt voor den dood,
nu JC tot in 't graf den dood vervolgt, en zeeghaftig den doodsteek geeft.
De dood, ik beken 't, is schriklijk buiten Yehosjeoa, maar verliest in hem alle vervaarlijkheid,
en word door hem een overgang
tot een volzalig hemelleven.

Zo word
de koning der verschrikking
een ontkerker van het licchaam
deezes doods.

blozen engel blozen
25 mei 2009 - bewerkt op 25 mei 2009 - meld ongepast verhaal
Weet je zeker dat je dit verhaal wilt rapporteren? Ja | Nee
Profielfoto van Asih
Asih, man, 80 jaar
   
Log in om een reactie te plaatsen.   vorige volgende