Hoe zeer de Heiland ook door pijn en angst en bloedverlies, mag aan 't kruishout afgesloofd, en uitgemergeld zijn geweest, nog hadde hy krachts genoeg, om een tijd lang, natuurlijker wijze, te konnen
leven: want de kruiswonden langzaam, en al zijpelende het bloed doende uitdruipen, en JC zijnde in zijn
levenslent, en zo de meesten meinen, omtrent 32, en een half jaar, oud, zo hadde hy, was 't zijn behagen geweest, nog eenigen tijd konnen leven. Gelijk 'er voorbeelden zijn, dat sommigen twee, drie, en meer dagen aan 't kruis bleven zieltogen.
Maar Yehosjoea den aangeboden edik hebbende gedronken, of uit de spongie opgezogen, en bewust, dat nu alles, wat hem te lijden stond, volbragt was, roept met groote stemme, tot bewijs, dat hy krachten over had. De stemme is den mensch gegeven, om door dat redelijk en verstaanbaar geluid, zijne gedachten en begeerten, anderen mede te delen. Hier toe is lip, tand, gehemelte, tong, keel, en voor al de long van nooden, om de stem met kracht uit te zetten. Maar als de kracht verzwakt, kan de stem niet
doordringende zijn.
De schrik en vrees, die 't harte beklemt, maakt daarom ook de stem zwakker, maar de vrijmoedigheid zet haar krachten by.
Daarom worden ook de Heilgezanten, onder den naam van Tsion, aangespoort, hunne
stemmen te verheffen, en die te verheffem met magt, om de steden Yehoedah te zeggen, zie, hier is uwe G d. Waar over zoude Yesjoea zich ook geschaamt of bevreesd zijn geweest? Hoe zeer de Jooden hem smaadden, hy steunde op G d: hoe zeer hy verzwakte, hy had magt zijn leven af te leggen, en dat
weder aan te nemen.
Dies roept hu met groote en kleoeker stemme tot zijnen Vader, om van allen gehoort te worden. Ya'akov
deed op zijn sterfbed zijne zoonen toenaderen, om hun noodlot te voorspellen: Yesjoe verheft zijn stem,
om te tonen, dat hy door zijnen vrijwilligen dood, de Gelovigen tot kinderen en erfgenaamen G ds maakt.
Sommigen willen,
dat JC binnens monds negen,
of liever tien Psalmen, van den 22 tot 31,
zoud hebben opgezegt:
maar 't zijn losse gissingen,
en wel ligt gesproten, om dat Yehosjoea uit de 22 Psalm
zijne klagte dus begint:
MIJN G D! MIJN G D!
WAAROM HEB JY MY VERLATEN?
En eindigt met de woorden van den 31 Psalm;
IN JOUW HANDEN BEVEEL IK MIJNEN GEEST!
Die sterven,
konnen nauwlijks geluid slaan,
gelijk Chizkiyahoe, met den dood worstelende,
zegt, dat hy piepte, en kirde op zijn ziekbed.
Yesjoea sterft,
maar roept met kloeker stem, als overwinnaar,
en zegepralende over den dood.
En wat magt zoud de dood hebben over den Vorst des levens?
Onze H. Schrijver zegt niet, wat Yesjoe riep,
maar Lukas drukt de laatste woorden des stervenden Heilands,
die aller aanmerking waardig zijn, nadruklijk, en dus uit:
Vader, in jouw handen beveel ik mijne geest.
Want dat Yochanan zegt, dat de Heiland den edik gedronken, en geroepen hebbe:
't is volbragt
,
kan, en moet begrepen worden, voor deeze laatste stem,
en by gelegendheid van de vervullinge
der H. Schrift geschied te zijn.
En hoe konde JC sterven, eer dat alles,
wat de profeeten van zijn leven en lijden voorspelt hadden,
tot de minste omstandigheid toe vervuld, en dus alle de schaduwen,
voorbeelden, en offerdiensten
bewaarheid waren?
Het is dan zo verre van daar,
dat JC zoude gewanhoopt hebben,
dat hy G d uitdruklijk zijnen Vader noeme,
en zijnen geest in des zelfs handen overgeve.
De geest van den Middelaar,
is de ziel en redelijke geest, niet de G dheid,
die van de menscheid door den dood niet moest,
noch konde afgescheiden worden.
Maar dewijl JC waarachtig mensch,
en ons in alles gelijk was, uitgenomen de zonde,
moest ook zijn dood, gelijk de onze, bestaan in de scheidinge van ziel en licchaam:
want die wonderknoop maakt onz leven;
en de verbreking des zelfs,
is de dood.
Die redelijke,
maar volkomene heilige ziel, of geest,
die nu door den dood, voor een wijl van het heilig licchaam des Heilands scheiden moest,
beveelt JC als een bewaargoed, en dierbaar pand in zijns Vaders handen:
want dat zegt eigentlijk het Grieksch
paratheezomai,
of
paratithemai;
en word by de LXX. Overzetters gebruikt voor
PAKAD,
bezoeken, bewaren, iets iemant toevertrouwen, om het ten zijnen tijd weder te krijgen.
Die wet gaf de Heere zelf zijn Oud volk:
als iemant aan zijnen naasten zal gelogen hebben, van 't geen hem in bewaring gegeven,
of ter hand gestelt was.
ZO
gaf JC zijne ziel in handen van zijnen Vader,
als een dierbaar bewaargoed, dat G d beveiligen, verzekeren,
en in korten tijd van drie dagen
hem wedergeven zoude.
Blijkbaar
had men
OOK HIER
die behoefte om
zo ook dit 'onaffe'
verhaal toch 'sluitend' te maken?
Het zijn allemaal momentopnamen in de eeuwigheid
van heelal, tijd & ruimte: al die mensen en daden,
weerspiegelen zich ook in ons!
TAT TVAM ASI
RAK KACH
