in de neusgaten des heeren [geen neksnot] ......
Hoe
listig de
trouwlooze Judas zijne
Godloosheid poogde te bedekken,
het aldoordringend oog van JC die in de harten las,
ontdekt zijne geveinsdheid, en ziet de hartgrondige toegenegendheid van Miryam, wes-
halven hy dezelve, en haar liede-daad verdedigt, en zegt:
waarom doet gy deeze vrouwe
moeite aan?
Die vraag
toont de redenloosheid van Judas,
en de ongegrondheid zijner verontwaardiging, die zo door-
stralende was, dat ieder, dieze ter toetse bragt, de vrouwe prijzen, en Judas veroordelen moest.
De vrouw zwijgt, en laat haar goed geweten spreken: zy verontschuldigt zich niet,
maar krijgt den Heiland
tot een Voorspraak.
En wie kan haar beter verdedigen,
dan hy, die de harten kent, en onze Voorspraak moet zijn by God?
Die alle beschuldigingen tegen de y=uitverkoornene verijdelt?
Die zijns volks verongelijkingen de zijne rekent?
Die uit het geen hy geleden heeft, geleert heeft met ons lijden
deernis te hebben.
Deeze groote Voorspraak
vat het voor Miryam op, en noemt, het geen Judas verkwisting had geheten, eene goede zaak.
Niet, dat Christus, die een voorbeeld van nedrigheid is, in die geuren en prachtigheden
vermaak schepte, maar die het geloof en harte
van Miryam zag.
Die genegendheid,
dat vertrouwen, riekte lieflijker
in de neusgaten des Heeren, als de strelendste zalfoijen.
Het geloof reinigt de harten: het geloof is Gode welbehaaglijk:
het geloof maakt ons een met Christus:
hoe zoude dan niet go{e}d zijn,
het geen uit 't gelove
geschied?
Maar geloof
is geen geloof
zonder liefde.
De liefde
is de vervullinge der gantsche wet,
en de band der volmaaktheid, die in den Hemel niet verbroken,
maar zielverzadende vereeuwigt zal worden.
Hoe kan zulk eene liefde-daad niet go{e}d zijn?
Wat bedroeft dan, wat bestraft gy dan,
geloof- en liefdelooze Judas,
deeze geloof- en
liefde-daadige
vrouw?
AL,
wat omtrent Yehosjoea
uit geloof en liefde gedaan word,
is goed en wel
gedaan.
AL,
wat gy,
en uws gelijk,
uit gierigheid en geveinsdheid doet, is kwaad en verfoeilijk.
Want de armen hebt gy altijd met u, maar my hebt gy niet altijd, voegt 'er Christus by,
om de voorgewende hulpvaardigheid omtrent den armen
te beschamen.
Prijslijk
zijn de werken der barmhertigheid,
en van God zelven zijn Oudvolk voorgeschreven.
De Jooden hadden daar toe gezette dagen om aalmoessen in te zamelen,
en God- of Gast-huizen om nooddruftigen te herbergen: dus danigen
zouden 'er ook in 't rijksbestier van den Masjiach zijn.
En geen wonder; zijn rijk is niet van deze weereld, en onze roepinge, die nochtans hemelsch is,
bestaat niet uit veele wijzen, noch magtigen, noch edelen: deezen verbied de Heiland niet te helpen,
maar zegt, dat men dien altijd zal konnen goed doen, treffende dus den geveinsden dief,
die vooraf den armen te bezorgen, in 't liefdeloos hart, en tonende,
dat het hem niet om der zelver nood
te doen was.
My,
zegt hy,
hebt gy niet
altijd.

Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende