Ik kom eraan!
Krachtiger
nog klaagt
de Masjiach, als
hy zegt: smerten des doods
hadden my overvallen, angsten en benauwdheden
tastten my met hoopen aan, en beeken Belials verschrikken my,
de bestrijdingen des Satans storten my, als een wegslepende stroom neder: smerten der helle,
of banden der uiterste benauwdheid, en dood, en hellestrijd, omringden my, en werwaards ik my wendde, ik zag niets dan schrikbeelden en strijd. Strikken des doods, 's vyands lagen en listen,
bejegenden my en drukten,
en beklemden my.
In
het Verhaal
binnenin zijn brein
& in de uiterlijke omstandigheden
'herhaalt zich de geschiedenis'
als het ware bij wijze van spreken
en schrijven, beleven & herschrijven
tussen David & Sja'ul
zo'n 1000 jaar
daarvoor:
"Ik heb jou lief, Heer, mijn sterkte.
Heer, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, G d, mijn steenrots,
bij jou kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.
Ik roep:
"Geloofd zij de Heer,"
want ik ben van mijn vijanden verlost.
Mij omsloten de banden van de dood, de kolkende afgrond joeg mij angst aan,
de banden van het dodenrijk omklemden mij, op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.
In mijn nood riep ik tot de Eeuwige, ik schreeuwde naar G d om hulp.
In zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn roepen bereikte zijn oren.
Toen schudde en schokte de aarde, de bergen trilden op hun grondvesten,
beefden omdat hij vlamde van woede, rook steeg op uit zijn neus,
verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as.
Hij schoof de hemel open en daalde af, dusiternis onder zijn voeten,
hij besteeg zijn wagen en vloog, zwevend op de vleugels van de wind.
Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,
trok een tent om zich heen van duister water, dichte wolken.
Een vuurgloed ging voor hem uit, wolken joegen voort,
hagel en gloeiende as.
De donder van de Heer klonk aan de hemel,
de Allerhoogste verhief zijn stem:
hagel en gloeiende as.
Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,
wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.
De beddingen van het water werden zichtbaar,
de grondvesten van de wereld kwamen bloot door jouw dreigende blik, Heer,
door de briesende adem uit jouw neus.
Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren,
ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters,
die sterker waren dan ik.
Op de dag van mijn ondergang vielen zij mij aan,
maar de Heer was mij tot steun.
Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte, bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.
De Heer heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen:
ik volgde de wegen die de heer had gewezen en werd mijn G d niet ontrouw,
zijn voorschriften hield ik voor ogen, zijn wetten wees ik nooit af.
Ik was hem volkomen toegewijd en hoedde mij steeds voor het kwaad,
daarom heeft de heer mijn onschuld beloond, hij zag mijn reine handen.
JIJ
bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, zuiver voor de zuivere,
maar voor de sliwe ongrijpbaar.
JIJ
bent de redder van het vertrapte volk,
wie zich hoog wanen, breng jij ten val.
JIJ
bent het die mijn lamp doet schijnen, ij, Heer, mijn G d, verlicht mijn duisternis,
met jou storm ik af op de legerbende, met mijn G d beklim ik de hoogste muur.
G ds weg is volmaakt,
het woord van de Heer is zuiver, een schild is hij voor allen die bij hem schuilen.
Wie anders is G d dan de heer, wie anders een rots dan onze G d?
De G d die mij met kracht omgordt, leidt mij op een volmaakte weg.
hij doet mij op toppen van bergen staan, oefent mijn handen voor de strijd ~
mijn armen spannen de bronzen boog.
JIJ
was het schild dat mij redde, jouw rechterhand ondrsteunde mij, jouw woord maakte mij sterk.
jij baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet.
Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,
ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten.
Jij hebt mij omgordt met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen,
jij liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit.
Ze riepen om hulp, maar er was geen redder, ze riepen de Heer, maar hij antwoordde niet.
Ik verpulverde hen tot stof in de wind, veegde hen weg als vuil van de straat.
Jij bevrijdde mij van een opstandig volk, stelde mij aan tot hoofd van de naties.
Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.
Vreemdelingen toonden zich onderdanig, vreemde volken verloren hun kracht,
bevend kwamen zij uit hun burchten.
De Heer YHWH leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is G d, mijn redder.
De G d die mij wraak liet nemen, dwong volken op hun knieen, bevrijdde mij van mijn vijanden,
verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan de mannen van geweld.
Daarom wil ik jou prijzen te midden van de volken, Heer, een loflkied zingen tot eer van jouw naam.
Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn
gezalfde
aan David en zijn nageslacht,
voor altijd.

Slaap zacht
droom zoet
& vertel ons
er morgen maar weer
alles van als je
wil & kan

Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende