Soms lijkt het wel alsof de voortschrijdende tijd stil blijft staat samen met al die emoties & verhardingen?
Wie deeze Leerling zy geweest, is van verscheiden verscheidendlijk gegist, doch van niemant aangewezen. Sommigen willen, dat het Yochanan ware; doch zonder eenigen schijn. Anderen stellen eenen ander, doch even onzeker. Waarschijnlijk was 't een der onbekende Discipelen, die onder de Jooden in aanzien, en by den Hoogenpriester geacht was: en dus onbeschroomd inging, en Petrus ingang verleende. Zo hebben wy twee oor- en oog-getuigen van deeze Raadverhandeling.
Petros binnen 't voorhof of buiten-plaats toegelaten, vermengd zich onder de dienaars, wel ligt, om daar beter verborgen te blijven, en veiliger alles te zien: want dit hof van den Hoogenpriester, zal even zo gebouwd zijn geweest, als de gemeene paleizen der Weereldgrooten, die wijde opene plaatsen voor 't huis zelfs hebben, waar uit men in verhevenen vetrek, of kamers met eenige trappen opklimt, en van beneden zien, en horen kan, wat boven omgaat.
En dus kan men Mattheus en Marcus ligt overeenbrengen, als die zegt, dat Petrus BUITEN de zaale zat, en deeze, dat hy nemeden in de zaale was: want schoon hy binnen gelaten was in de voorplaats, en daar nu stond, en zat by 't vuur, was hy beneden, en buiten de bovenzaal, daar JC voor den bloedraad stond.
Maar hoe veilig hy daar vermeinde te schuilen; eene dienst-maagd, die Yochanan de deuwachtster noemt, ontdekt hem onder de dienaars, en op hem staroogende, zeide: gy waart ook met Yesjoea den Galileer.
Die oude deurwachtster, want men voornaamlijke oude vrouwen, aan de deuren van aanzienlijken stelde, die oude deurwachtster, die onbeschaamde dienstmaagd, haar deurwacht verlatende, en naar 't vuur tredende, durft niet alleen den Apostel stout, en in ;t aangezicht zien, maar ook den Heiland verachtlijk noemen, Yesjoe den Galileer.
Maar zo plagt de booze drift heil en Heiland te verachten, en te lasteren. Had zy den naam van Yehosjoea begrepen, noit hadze Yesjoea veracht, of Galileer genoemt. 'T is waar, de Masjiach moest te Beth Lechem, in de stad Davids, als een stamling van David geboren worden: maar was dat niet in Yesjoe bewaarheid, om dat hy te Natseret opgevoed was? Of kon 'er van Natseret niets goeds komen?
Maar deeze deurwachtster van den Hoogenpriester, had den haat van den Hoogenpriester tegen Yesjoe ingezogen, en sprak, gelijk die sprak: gy waart ook met Yesjoea der Galileer, zegtze tot Petros. Hadde Petrus, die anders zo volijverig was, niet ijskoud geweest in liefde tot zijnen Heer, en kouder van toenegendheid als van lichaam, zoud hy dien hoon geleden hebben, en voor een' oude dienstmaagd konnen zwijgen?
Zit by 't vuur, warmt u, o Petros, wat konnen brandkoolen baten, als de liefde tot Yehosjoea verkoud en uitgebluscht is? Petrus, die zo even nog het zwaard trok, en Yesjoea tegen de krijgsbenden wilde verdedigen, durft nu Yesjoe niet voor eene dienstmaagd belijden; maar verlochent hem voor allen, die zich warmden, en zegt: ik ken hem niet!