Wat maakt de kwebbelende mens toch zo uniek [of juist niet]? Op zich kennen ook andere dieren rijke communicatiesystemen. Vooral mensapen/aapmensen. Met gebaren, gezichtsuitdrukkingen & allerlei
kreten geven ze elkaar heel wat te verstaan! In de natuur vertonen bonobo's al helemaal geen talige aan-leg. Dat wil zeggen: het combineren van signalen om ietwat complexer boodschappen over te brengen was
voor hen toch te hoog gegrepen, ze hadden 't veel te druk met neuken in alle standen en leeftijdsdeuken.
En er zijn verder nog wel meer vreemde vissen & vogels, zoogdieren & mydiertjes die rare liedjes fluiten en
sissen tussen 't eten & drinken, poepen & pissen door? Zangvogels zijn toch ook bij uitstek specialisten in vocale communicatie. Achter veel zang gaat 'n complexer grammatica schuil: pas als je volgens hun vaste regels fluit, vinden soortgenoten je liedje mooi & zien de vrouwtjes e.d. je zitten. Maar al die tonen blijven
losse, betekenisloze elementen: ook de combinatie ervan leidt niet tot betekenis? Dan de 'mydimens' ...
Die combineert klanken tot woorden & zinnen in 'n schijnbaar eindeloze variatie. Dat doet geen ander dier
ons nog na. Alleen voor bepaalde zeezoogdieren houden sommige deskundigen nog wel een slag om de
arm, want er is nog te weinig bekend over de complexe zang waarmee de dolfijn & de bultrugwalvis bood-schappen onderling uitwisselen. Vooralsnog lijkt 't pratende mydimensje echt uniek tot aliens opduiken ...
Zal wel weer iets genetisch zijn denk je dan. En inderdaad, genetici meldden de vondst van een taalgen?!
Dat bleek ook betrokken bij 't coordineren van lip- & tongbewegingen: 'n soort van praatgen, dat - als het
niet helemaal goed werkt indirect de taalontwikkeling belemmerde. Ietwat later ontmaskerd als 'n oeroud
gen dat in verschillende versies bij allerlei andere dieren voorkomt. Uit berekeningen bleek aanvankelijk dat de bijzondere menselijker versie de laatste 100.000 jaar moest zijn ontstaan & onlangs is die mense-lijke versie ook aangetroffen in botten van Neanderthalers, die in de evolutie al veel langer geleden van de menselijke lijn zijn afgesplitst. De theorie dat die nieuwe versie de cruciale mutatie was waarmee homo
sapiens 't definitief van andere mensachtigen won, heeft daarom voorlopig afgedaan. Het bracht aanvan-kelijk 'n groot enthousiasme teweeg & is ook 'n belangrijk gen dat hoog in een hierarchie van genen zit, maar sommige wetenschappers dachten in den beginne dat het 't eerste van 'n hele reeks nog te ontdek-ken taalgenen zou zijn, doch daar is nog niets van uitgekomen. Zouden er ueberhaupt wel specifieke taal-genen bestaan? Dat is nu de grote vraag. 't Antwoord hangt af v/d manier waarop taal evolutionair is ge-vormd. Is er i/d loop v/d menselijke evolutie 'n selectie geweest op 't ontstaan van specifieke vermogens
om 'n taal te leren? Of is taalvaardigheid meer 'n bijkomstigheid van ons toegenomen hersenvolume, van
't feit dat we gaandeweg hebben geleerd om bepaalde patronen te herkennen, te beredeneren, in te plan-nen & nader te categoriseren? In 't eerste geval moeten we specifieke taalgenen hebben ontwikkeld die zo
ons steeds beter in staat stellen om ingewikkelder zinnen te maken! In 't tweede geval lift 't taalvermogen
simpelweg mee op genen die onze algemene cognitieve vaardigheden bepalen? 't Lijkt misschien wel een onschuldig vraagstukje maar in 't wetenschappelijk debat roept 't heftige emoties op onder dezen & genen
met name tussen beroemde taalkundigen & psychologen. Hebben mensen al bij de geboorte 'n Universele
Grammatica in 't zich ontwikkelende breinfestijn klaarliggen waarmee we elke taal kunnen leren? De meest
logische consequentie zou zijn dat zo'n universeel vermogen i/d loop v/d evolutie dus ook genetisch moet
zijn verankerd? Verschillen in taalvermogen tussen mensen met zo'n DNA-concept zou je zo ook biologisch
kunnen verklaren: zo kan 'n evolutionair-linguistisch debat veranderen in heuse politieke strijdperkduels?
Vervelend misschien, maar allemaal wel weer heel typisch menselijk: dat doen we op alle levensgebieden!
Ook de sfeer i/d evolutionaire taalkunde is allang niet al te best geweest: in de debatten over de biologie
van taal ging 't de laatste decennia steeds maar weer meer over grote tegestellingen:
nature versus
nurture [aanleg versus opvoeding] &
adaptatie versus
exaptatie ['t ontwikkelen van een nieuwe genetische eigenschap tegenover 't gebruiken van een bestaande? Grote ideeen, gebaseerd op te
weinig of geen harde data! Ook daar moeten we zo langzamerhand vanaf. Allerhande hoogdravende theo-rietjes binnen de evolutionaire taalkunde hebben ondertussen wel de revue gepasseerd. Zo zou de mens
talig zijn geworden dankzij het zakken v/d adamsappel, wat spreken eerst pas goed mogelijk maakte; of
dankzij een enkele radicale mutatie in 't brein; of dankzij 't plotsklaps verworven inzicht om aan woorden
een abstracte lading te kunnen geven; of dankzij onze cooperatieve basishouding als principiele instelling;
of omdat we ineens zogeheten 'recursieve', zichzelf herhalende structuren konden bouwen, van 't type
'Jan zegt dat Piet zegt dat Klaas zegt dat Tom zegt dat Dick zegt dat Harry zegt' en zo eindeloos voorts ...
Allemaal stuk voor stuk mooie & leuke ideetjes, maar waar is 't bewijs? Patrice zou zeggen 'vraag dat
maar aan God' & die ander 'dat er zeer duistere ontontwarbare complotten achter zitten die niemand ziet'?
Wat schiet je op met al die theorietjes als je ze niet hard kunt maken? Gelukkig, signaleert de cognitie-wetenschapper, heeft 'n nieuwe generatie wetenschappers steeds minder boodschap aan al dit soort van
'Big Bang'~benaderingen. Die oude controverses doven langzaam uit: veel jongere collega's erken-nen liever dat er nog best ontzettend veel totaal onbekend is & willen daarom dolgraag de handen uit de mouwen steken om nog ontbrekende kennis te vergaren. EERST kennis dus, & dan pas groter theorietjes!
EEN v/d wegen die jonger wetenschappers inslaan is die v/d computermodellen? Ze proberen te berekenen
hoe waarschijnlijk bepaalde concepten over de evolutie v/d taal zijn! Wat in veel modellen hoge ogen gooit
is 't idee van 'culturele overdracht'. Mensen geven taal van generatie op generatie door & daarbij verandert
die taal: al te moeizame constructies komen dan hoogstwaarschijnlijk te vervallen & die luier mondspieren
verbasteren 't te zware 't "mag geschieden" tot 't lekkerbekkende 'misschien'? Taal past zich aan de mens
aan & dat zou wel eens 'n heel belangrijk stukje v/d puzzel kunnen zijn! In myDi kom je dit sociale gebeu-ren dan ook om de haverklap tegen in allerlei kreetjes & scheetjes over kut, lul, gewoon, sammasegge &
afkortingen, neotaal, slang, hiphoprap & 1001 modeachtig fashiongedoe vol 'bok', 'bek', 'gek', 'drek' & 't
Amerikanisme van 'goal', 'penalty', kwikkwekkwak Donald Ducktaal uit strips, cartoons & 't youTubisme ...
Anyway, zo komt er dus misschien dankzij die wiskundige modellen & fractals 'n nieuwe consensus in zicht?
Die stelt dat ons taalvermogen ergens i/d afgelopen vijf of zes miljoen jaar weliswaar 't licht zag dankzij 'n
nog weliswaar onbekende bilogische treffer, maar sindsdien zou 't vooral de taal zelf zijn geweest die zich
naar onze cerebrale & anatomische mogelijkheden heeft gevoegd! Ook al kunnen 'r tijdens dat proces nog
best wel extra biologische veranderingen zijn opgetreden die 't spreken vergemakkelijkten, zoals 't verder dalen v/d adamsappel, prominenter siliconenschaamlippen, be- & versnijdenissen van top tot teen mede vanwege onze achilleshielen, hoger hakken, kogelstoten, speerwerpen, voetballen & 't hobbyhobbelpaard,
verdwijnen der keelzakken & veelkleurige bilpartijen, borstgetrommel & vele seksuele nevenaktiviteiten in
welke de mensaap/aapmens nog steeds dankbaar gebruik [& misbruik] maakt om imponerende geluiden
te produceren als gillen, brullen, schreeuwen, krijsen. juichen, zingen, sissen, hijgen & zwijgend karaoken?
Die rekenmodellen ontkrachten ook veel oude theorietjes van katholieke, protestantse, liberale & banale
huize die ooit opgeld deden onder conservatieve, anarchistische, revolutionaire & neo~economische elites!
Vooral Noam Chomsky's idee van 'n uitgebreide aangeboren taalmodule moet 't ontgelden & die is er ook
zelf niet meer helemaal van ovetuigd: de laatste jaren schuift hij steeds verder op naar 't idee dat we ons
taalvermogen vooral danken aan algemene cognitieve vaardigheden, maar voorlopig weet niemand 't he-
lemaal zeker omdat taalevolutie 'n heel dynamisch vakgebied is met voorlopig meer vragen dan antwoor-den. Aan de wieg v/d geboorte v/d taal staat 'n essentieel verschil tussen aap & mens. De mens bezit het vermogen om de gemeenschappelijke aandacht ergens op te vestigen: wij kunnen de blik of de wijzende
vinger van 'n ander volgen, iets waar chimpansees moeite mee hebben. Dit vermogen om je in 'n ander
te verplaatsen is de motor achter menselijke communicatie & leren. Deskundigen deden onderzoek naar
taalverwerving: kinderen maken zich grammaticale regels heel geleidelijk eigen via de dagelijkse commu-nicatie met volwassenen in hun omgeving. Met deze theorie, de usage based linguistics, stelt Michael
Tomasello zich tegenover de generatieve taalkunde, die ervan uitgaat dat kinderen taal oppikken dankzij
een grammaticale structuur die al bij de geboorte in hun hersenen is verankerd. Ook over deze kweste is
't laatste woord nog niet gesproken. Eerst pasten wij ons aan de gesproken taal aan & nu passen we ook
de geschreven taal aan de mens aan. Of zoals 't oude Nederlandse volkslied reeds lang geleden verkon-digede: waar de blanke top der tuinen schittert in de zonnegloed & Ne'erlands bloed in d'ad'ren vloeit daar
zingen we 't Wilhelmus van Nassouwe van Dietschen bloed met de prince van Oranje & de koninc van His-panje & al die andere migranten uit alle werelddelen, van alle rassen, volkeren & mengvormen ondanks al
die gekke Geertjes, dolle Rita's, parmantige Pimmetjes, stalkende Volkerts & maffe Mohammeds etcetera.